Jesaja 53

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Terug naar de Messias-introductie pagina

Terug naar Messias ben David

 

'Verborgen' Messias-teksten

 

 

Jesaja 53  De ďknecht van de Eeuwige (des HEREN NBG51)Ē

 

 

Wie wordt er bedoeld met de knecht van de Eeuwige in Jesaja 53:11? En wat staat er precies Jesaja 53, wat is de boodschap die Jesaja brengt?.

 

We bekijken het gedeelte vanuit de Hebreeuwse grondtekst zoals (Orthodoxe) Joden het lezen. Soms zijn er best grote verschillen met de bestaande Nederlandse vertalingen. Natuurlijk kunnen bepaalde woorden meerdere betekenissen hebben. De context laat echter duidelijk zien wat er wordt bedoelt. Je kunt daarom niet zomaar een tekst uit zijn context lichten en er een betekenis aan geven los van de context waar de tekst in staat.

 

 

Het gebruik van de term Ďknecht van de Eeuwigeí in de Tenach.

 

De Ďtitelí knecht (avod / ) van de Eeuwige wordt diverse keren in de Tenach gebruikt;

 

Voor Avraham, Itschak en Yaíakov (Ex. 32:13), Moshť (Num. 12:7) (Deut. 34:5), Kalev (Num. 14:24), Samuel (1 Sam. 3:10)  knecht, David (2 Sam 7:8), Salomo (1 Kon. 3:8) en  van het volk IsraŽl (Ps 136: 22)  (Jer. 30:10)

 

Van het volk IsraŽl wordt gezegd dat ze bevrijd zijn van het knechtschap aan Egypte, (bevrijd tot een knecht van de Eeuwige).; Deuteronomium 15:15  Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht () geweest zijt in het land Egypte, en dat de Eeuwige, uw God, u bevrijd heeft; daarom geef ik u heden dit gebod., Exodus 13:3  Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis (Mydbe tybm) , gegaan zijt; want met een sterke hand heeft de Eeuwige u daaruit geleid. Daarom mag niets gezuurds gegeten worden.

 

 

 

                                                            

Betekenis van de term Ďknecht van de Eeuwigeí in Jesaja.

 

Vanaf hoofdstuk 41 wordt er over de Ďknecht van de Eeuwige gesproken. (tussen haakjes de hoofdstukindelingen in de bijbel waren er oorspronkelijk niet. De christelijke kerk heeft die indeling gemaakt. De hoofdstukken in de boeken waren een opeenvolgend geheel). In dit hoofdstuk wordt direct uitleg gegeven wie er hier met de knecht van de Eeuwige (de knecht des HEREN) in de eerste plaats wordt bedoeld.

 

Jesaja 41:8  Maar gij, IsraŽl, mijn knecht (), Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, 9  gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht (), Ik heb u verkoren en u niet versmaad;

 

In Jesaja 49 wordt de term gebruikt om Jesaja mee aan te duiden. Het is duidelijk dat hier met de knecht van de Eeuwige Jesaja i.p.v. IsraŽl wordt bedoeld.

 

Jesaja 49:5  Maar nu zegt de Eeuwige, die mij (Jesaja) van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht (), om Jakob tot Hem terug te brengen en om IsraŽl tot Hem vergaderd te doen worden (en ik werd geŽerd in de ogen van de Eeuwige en mijn God was mijn sterkte)

 

Jesaja noemt zich hier een knecht van de Eeuwige die de taak heeft het volk IsraŽl weer in de wegen van Gíd (de Thora)  te laten gaan.

 

In Jesaja 42 kan het naast de betekenis van het volk IsraŽl ook de Messias betekenen. Maar dan zeker niet alleen de Messias maar op de Messias als onderdeel van het volk IsraŽl. De taak van de Messias wordt ook uitgevoerd door het hele volk IsraŽl:

 

42:1 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. 2  Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. 3  Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. 4  Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten.

 

Het volk IsraŽl is geroepen om een licht voor de natiŽn te zijn en om de volken de principes van Gíd te lere. Jesaja 43:10  Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn. Hier kan het gedeelte ook op de te komen Messias betrekking hebben (tijdens het Messiaanse rijk (Jes. 11:6), dan wel als onderdeel van het Joodse volk. Hij zal het Joodse volk leiden in het onderhouden van de Thora en het leren van de Thora. Het volk IsraŽl heeft de zelfde roeping (voor de natiŽn als de Messias (zie Jes. 11) ook heeft voor het volk IsraŽl. Het kan hier echter niet alleen op de Messias slaan. Dat maakt vers 42:19 duidelijk:

 

 

5 Zo zegt God, de Eeuwige, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen: 6  Ik, de Eeuwige, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor een volk, tot een licht der natiŽn: 7 om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn. 8  Ik ben de Eeuwige, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan de gesneden beelden. 9  Het vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij uitspruiten, doe Ik ze u horen. 10 Zingt de Eeuwige een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners. 11 Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen. 12  Laten zij de Eeuwige eer geven en zijn lof in de kustlanden vermelden. 13 De Eeuwige trekt uit als een held; als een krijgsman doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen zijn vijanden.) 14  Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal Ik schreeuwen als een barende vrouw; 15  Ik zal snuiven en hijgen tegelijk. Ik zal bergen en heuvels verschroeien en al hun gewas zal Ik doen verdorren; Ik zal rivieren tot land maken en plassen zal Ik doen opdrogen. 16  En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten. 17  Zij zullen terugdeinzen en diep beschaamd worden, die op gesneden beelden vertrouwen; die tot gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden. 18 Gij doven, hoort, en gij blinden, slaat uw ogen op om te zien. 19  Wie is er blind dan mijn knecht () en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht () van de Eeuwige?

 

De knecht van de Eeuwige is geroepen om voor de natiŽn tot een licht te zijn. Het volk IsraŽl heeft dat in zich. Het wordt echter niet altijd gebruikt waarvoor het moet worden gebruikt, namelijk opdat de volken de Eeuwige als de enige waarachtige Gíd zouden en zullen zien. (Zie ook verder Jesaja 53:11). Daarom staat er in vers 19 ďWie is er blind dan mijn knecht en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht van de Eeuwige?Ē Overduidelijk wordt er hier niet met 'de knecht des Heeren' die blind wordt genoemd, gesproken over de Messias ben David.

De Joden hebben het in zich om de wereld te veranderen en te leren. De vier mensen die het denken van de vorige eeuw het meest hebben beÔnvloed zijn  Einstein, Freud, Marx en Darwin (alle vier zijn ze joods).

 

Verder wordt het duidelijk uit de context dat op alle andere plaatsen met de knecht van de Eeuwige het volk IsraŽl wordt bedoeld. Als de betreffende teksten los uit hun context zou halen, zou je een andere betekenis kunnen voorstellen. Echter in het hele verband waarin ze staan laat duidelijk zien hoe het bedoeld is.

 

Jesaja 43: 9  Alle volken zijn samen vergaderd en de natiŽn hebben zich verzameld. Wie onder hen kondigt dit aan en doet ons het verleden horen? Laten zij hun getuigen voorbrengen, opdat zij in het gelijk gesteld mogen worden en men het hore en zegge: Het is waarheid. 10  Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht (), die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.

 

Ook hier wordt IsraŽl met de knecht bedoeld. In vers 9 zie je eenzelfde woordgebruik als in Jes. 53:1.

 

 

 

Jesaja 44:1  Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht (), en IsraŽl, die Ik verkoren heb. 2  Zo zegt de Eeuwige, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u helpt: Vrees niet, mijn knecht ()  Yaíakov, en Jesurun, die Ik verkoren heb. ÖÖ21  Denk hieraan, Yaíakov; IsraŽl, want gij zijt mijn knecht (); Ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht (), IsraŽl; gij wordt door Mij niet vergeten. ÖÖ.45:4  Ter wille van mijn knecht () Jakob en van IsraŽl, mijn uitverkorene, riep Ik u bij uw naam, gaf u een erenaam, hoewel gij Mij niet kendetÖÖ 48:20  Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeen. Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De Eeuwige heeft zijn knecht () Jakob verlost. Ö..49:3  En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, IsraŽl, in wie Ik Mij zal verheerlijken.

 

Weer wordt de knecht van de Eeuwige waar het in het gedeelte vanaf Jesaja 41 om gaat omschreven; heel duidelijk het volk IsraŽl.

 

 

Dan voor het duidelijke overzicht en verband m.b.t. Jesaja 53 beginnen we hier met Jesaja 52:

 

Jesaja 52: 1 Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad. Want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen. 2  Schud het stof van u af, welaan, zet u neder, Jeruzalem; maak de banden van uw hals los, gevangene, dochter Sions. 3  Want zo zegt de Eeuwige: Om niet zijt gij verkocht, zonder geld zult gij worden gelost. 4  Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Eertijds trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te vertoeven, en Assur (vijanden van de wereld) heeft het zonder reden onderdrukt. 5  Thans echter, wat vind Ik hier? luidt het woord van de Eeuwige. Want om niet is mijn volk weggevoerd, zijn overheersers maken getier, luidt het woord van de Eeuwige, en voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd.

 

Hier wordt gesproken over Sion (waar ook IsraŽl mee wordt aangeduid wat duidelijk te zien) die zonder reden onderdrukt wordt. Er wordt voorzegd dat geen niet-Jood en/of iemand die volgens de Thorainstructies in een status van 'onreinheid' is in de toekomst  de stad en de Tempel zal betreden. Iets soortgelijks wordt ook voorzegd in EzechiŽl 44:9 "9 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de Israelieten."

Zie m.b.t. het zonder reden onderdrukken (vers 4) en het om niet wegvoeren (vers 5) van  het volk IsraŽl ook Jes. 53:4 en1. Duidelijk is het dat het hier over het volk IsraŽl gaat (en niet specifiek over de Messias ben David). De volken hadden zelf geen reden om het volk IsraŽl dat allemaal aan te doen.

 

6  Daarom zal mijn volk te dien dage mijn naam kennen, dat Ik het ben, die spreek: Zie, hier ben Ik. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. 8  Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de Eeuwige naar Sion wederkeert. 9  Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Eeuwige heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. 10  De Eeuwige heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God.

 

 

 

Hier komt in naar voren dat het volk IsraŽl (vers 6) verdrukt zou worden. Daar worden ze van bevrijd. In Jesaja 53 wordt door op verder gegaan. Ook de Ďarm van de Eeuwigeí kom je ook weer in hfst 53 tegen. In die gedeelten zie duidelijk het doorlopende element van de profetie waarin duidelijk wordt dat het over het volk IsraŽl gaat.

 

11  Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten van de Eeuwige draagt. 12  Want niet overhaast zult gij uittrekken en niet in vlucht heengaan: de Eeuwige immers gaat voor u heen en uw achterhoede is de God van IsraŽl. 13 Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn. 14  Zoals velen zich over u ontzet hebben (zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte) 15  zo zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij.

 

In vers 11 wordt het volk IsraŽl, om zodra het mogelijk is, opgeroepen de landen te verlaten waarheen ze verstrooid zijn. HaShem (de Eeuwige) zal hen begeleiden als ze dan terug naar Eretz Israel zullen keren.

In vers 13 wordt er over gesproken dat de knecht van de Eeuwige voorspoedig zal zijn en verhoogd zal worden (uit de benarde onderdrukte positie). Ook vers 14 heeft hetzelfde thema en verwijst o.a. naar vers 2-4. Nu op het moment (wat nu beschreven wordt) dat IsraŽl wordt verhoogt zien de koningen/leiders van de naties tot hun schrik wat de feitelijk situatie is en wat ze al die jaren met het volk IsraŽl hebben gedaan. Ze beginnen met verbijstering te spreken. (Zie ook Micha 7:16 ďDe volken zullen het zien en beschaamd worden, beroofd van al hun kracht; zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen doof wordenĒ.).

 

Jesaja 53:1 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm van de Eeuwige geopenbaard? 2  Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd.

 

De arm van de Eeuwige is een terugverwijzing naar 52:10 ďDe Eeuwige heeft zijn heilige arm ontblootĒ en is duidelijk een verwijzing naar de fysieke verlossing van IsraŽl (zie hierboven). In de tijd van de verlossing zal er gezegd worden. door de volken. Wie zou er geloofd hebben dat zo'n vertrapt, gehaat en veracht volk door Gods arm verlost zou worden. Dat werd ook gezegd toen het Joodse volk in slavernij in Egypte was.

In Hos 14:5-8 wordt IsraŽl ook vergeleken met een boom die uitloopt ď 5  Ik zal zijn als de dauw voor IsraŽl, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. 7  Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja, zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. 8 EfraÔm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? (Ik verhoor hem en zie hem aan.) Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken

 

Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd (gewend aan) met ziekte,

 

In de geschiedenis van de laatste (2000 jaar) ballingschap was het Joodse volk een geplaagd, vervolgd en veracht volk wat veel onheil over zich heen kreeg. Het kan niet gaan om Jezus want die zou volgens de Christelijke overlevering nooit ziek zijn geweest.

In Jesaja 1:4-7 wordt dit beeld in vers 3 ook al voor het volk IsraŽl gebruikt;  ďWee het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de Eeuwige verlaten, de Heilige IsraŽls versmaad, zich achterwaarts gewend. Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; Van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden, striemen en verse kwetsuren, die niet uitgedrukt zijn noch verbonden noch met olie verzacht. Uw land is een woestenij; uw steden zijn met vuur verbrand; uw akker, daarvan eten vreemden voor uw ogen: een woestenij, als door vreemden onderstboven gekeerd.Ē  IsraŽl was inderdaad vertrouwd met ziekte en smarten. Zij ondergingen het.

In Jesaja 42:22 wordt er ook al over het volk IsraŽl gesproken als verachtelijk en verlaten "Maar dit is een volk, beroofd en uitgeplunderd; men heeft hen allen in kerkerholen geboeid, in gevangenissen zijn zij weggeborgen; zij werden ten roof en er was geen redder; tot plundering en er was niemand die zeide: Geef terug."

 

 

 

ja, als iemand, voor wie men het gelaat zouden verbergen; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.

 

Zie Jes. 49:3, 7,8,13,14 die de inleiding zijn op dit gedeelte Ē En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, IsraŽl, in wie Ik Mij zal verheerlijkenÖ.. 7 Zo zegt de Eeuwige, de Verlosser IsraŽls, zijn Heilige, over hem die veracht is van mensen, over hem wie de natiŽn heersen, over een knecht van regeerders: Koningen zullen dit zien en opstaan; vorsten, en zich nederbuigen, ter wille van de Eeuwige, die getrouw is, de Heilige IsraŽls, die u verkoren heeft. 8  Zo zegt de Eeuwige: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten dage des heils heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een volk van een verbond om het land weder te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te makenÖÖ 13 Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Eeuwige heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd. 14  Maar Sion zegt: De Eeuwige heeft mij verlaten en Adonai heeft mij vergeten.Ē Verder ook Jesaja 54:6,7 ď6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Eeuwige geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God.7  Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen;Ē Beide keren wordt IsraŽl bestempeld als een afzichtelijk iemand (waar Gíd weer naar zal omzien zoals we dat ook verder zullen lezen)

 

4  Maar in waarheid, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten die hij droeg; maar wij beschouwden hem als een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.

 

In Ezech 36:6-9,15 wordt ook gesproken dat IsraŽl de smaad van de volken droeg ď 6  daarom, profeteer over het land van IsraŽl en zeg tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik spreek in mijn naijver en in mijn grimmigheid: omdat gij de smaad der volken gedragen hebt, 7 daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen. 8  Maar gij, bergen van IsraŽl, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk IsraŽl, want nabij is zijn komst. 9  Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid wordenÖ.15  Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natiŽn zult gij niet meer dragen, en gij zult uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.Ē

 

5  Hij werd gepijnigd door/vanwege onze rebelse zonden en onderdrukt door onze ongerechtigheden; de straf op hem was tot onze vrede, en door zijn wonden, werden we genezen. 6  Wij hebben allemaal gedwaald als schapen, en gingen ieder van ons zijn eigen weg, en de Eeuwige liet op hem neerkomen de ongerechtigheid van ons allemaal.

 

Op dit moment dat de koningen spreken is het lot van IsraŽl gekeerd (daardoor zien de koningen wat zij (en hun volken) hebben gedaan met IsraŽl. Gíd heeft de verdrukking van IsraŽl (door de natie) gebruikt om hen te laten bekeren naar Gíd. Nu bekeerd naar Gíd zullen ze de volken de wegen van Gíd gaan leren en zullen ze een licht voor de volken zijn. Dat is tot hun behoud.

 

7  Hij werd vervolgd en getroffen maar hij deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een ooi dat stil is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open

 

 

 

Het beeld van IsraŽl als schapen ter slachting vindt je ook in Ps 44:12,14-15 en 22 en verder in Zach. 11:11. Psalm 44 ď12 Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee, ons onder de volken verstrooid..14 Gij hebt ons gesteld tot smaad voor onze naburen, tot spot en hoon voor wie ons omringen; 15 Gij hebt ons tot een spreekwoord onder de volken gesteld, Gij doet de natiŽn over ons het hoofd schudden.,Ö22  Waarlijk, om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij worden gerekend als slachtschapenĒ. Zach. 11:11  ďDus werd het te dien dage verbroken; zo hebben de ellendigste onder de schapen, die op mij letten, bemerkt, dat dit een woord van de Eeuwige wasĒ.  Tijdens de 'Shoa' (Holocaust) werd het Joodse volk inderdaad als schapen ter slachting de gaskamers in gedreven praktisch zonder dat ze weerstand boden tegen hun onderdrukkers.

 

Nu hij weggenomen is uit verdrukking en gericht, wie kan zoín generatie zich indenken? Want hij was afgesneden uit het land der levenden, de plaag op hen ( lamo) dat waren de zonden van mijn volk.

 

 

Nu IsraŽl verhoogt is uit verdrukking en gericht is hun situatie in ellende bijna niet meer voor te stellen. Het onderstreepte woord hen wordt door (een vooringenomen standpunt door de meeste christelijke vertalers) met hem vertaald. Dat kan het echter absoluut niet betekenen. Lamo  betekend hen in plaats van hem. Het gaat dus duidelijk over een groep mensen in plaats van over ťťn persoon. De vertalers vertalen dit woord op alle andere plaatsen trouwens wel gewoon met hen. Zie o.a. Jes. 48:21 ďÖ.Hij deed voor hen   water uit de rots stromen Ö.Ē, Hab. 2:7 ď..zodat gij hun  worden zult..Ē, Ps 2:4 ďDie in de hemel zetelt, lacht; Adonai spot met henĒ.etc. etc.

 

9  En hij gaf zijn graf aan de goddelozen; en aan de rijken vanwege zijn (manieren van)dood (executies)

 

Wat de goddelozen (criminelen) en rijken betreft. In die tijd liepen die 2 categorieŽn dagelijks het gevaar om gedood te worden. De goddelozen van wegen hun daden, de rijken vanwege hun geld. IsraŽl daarvoor echter (ten opzichte van hun verdrukkers) zonder reden. De zin in het hebreeuws kan ook als volgt vertaald worden: Hij (het volk IsraŽl) aanvaarde het om begraven te worden tussen de goddelozen.

 

 

want hij deed geen onrecht en er was geen bedrog in zijn mond.

 

Tegen hun haters, hun vervolgers en hun onderdrukkers hadden ze niets gedaan wat een reden voor de daden van die haters, vervolgers en onderdrukkers zou zijn. In Zefanja 3:12-17 wordt verder ook gesproken over het IsraŽl als rechtvaardige. Ook de ondergane gerichten worden genoemd.  ď12  En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de naam van de Eeuwige. 13  Het overblijfsel van IsraŽl zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en nederliggen, zonder dat iemand hen verschrikt. 14 Jubel, dochter van Sion; juich, IsraŽl; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem! 15 De Eeuwige heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning IsraŽls, de Eeuwige, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. 16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. 17  De Eeuwige, uw God, is in uw midden, een held, die verlost. Hij zal Zich over u met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel.Ē

 

 

10  De Eeuwige wilde hem verbrijzelen en Hij maakte hem ziek;

 

Hier wordt de reden van de oordelen van uit Gíds kant bezien. Gíd wilde hen tot inkeer laten komen ten op zichte van Hem (dat gaf overgens de vervolgers nog geen vrijbrief om hun daden uit te voeren. Gíd heeft het in die zin tijdelijk toegelaten om het volk IsraŽl tot inkeer te brengen. Het volk heeft trouwens zelf hun straf gedragen zoals dat staat in  Jes. 40: 1,2 ď Troost, troost mijn volk, zegt uw God.2  Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand van de Eeuwige dubbel ontvangen heeft voor al zijn zondenĒ. Ja zelfs meer dan dat (vanwege de goddeloosheid van de volken)

 

als zijn ziel schuld zou bekennen,

 

Als is een voorwaarde. Het Hebreeuwse woord Ďimí (Ma)wordt echt bedoeld om een voorwaarde weer te geven. Hier wordt gesproken dat de voorwaarde van herstel de belijdenis van zonde (en bekering) was. Zie Jesaja 1:18-20 ď18  Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Eeuwige; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.19  Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten; 20 maar als gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door het zwaard worden verteerd, want de mond van de Eeuwige heeft het gesproken.

 

zou hij nakomelingen (fysieke kinderen /zera zien en een lang leven hebben

 

Het Hebreeuwse woord wat hier voor nakomelingen wordt gebruikt Ďtzeraí () kan alleen fysieke nakomelingen betekenen. Anders zou het woord ĎBneií (ynb) worden gebruikt. Bij de geschiedenis van Avraham komt dat duidelijk naar voren als Gíd zegt dat niet Eliezer (zijn geestelijke nakomeling) maar een fysieke zoon zal erven.Zie Genesis 13:15  want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht (/zera) voor altoos geven. 16  En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn.) Gen.15:3-63  En Avram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost (/zera) gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam/zoon ĎBení (nb) zijn. 4  En zie, het woord van de Eeuwige kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.)

 

en de wil van de Eeuwige zal door zijn hand voortgang hebben

 

Zie Deut.30:8-10,19-20  ď8  Gij zult weer naar de stem van de Eeuwige luisteren en al zijn geboden volbrengen, die ik u heden opleg.9  De Eeuwige, uw God, zal u in overvloed het goede schenken bij al het werk uwer handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee, in de vrucht van uw bodem, want de Eeuwige zal weer behagen in u hebben, u ten goede, zoals Hij behagen had in uw vaderen,10  wanneer gij naar de stem van de Eeuwige, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in dit wetboek geschreven staan; wanneer gij u tot de Eeuwige, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw zielÖ.. 19  Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, 20  door de Eeuwige, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Eeuwige uw vaderen, Avraham, Itschak en Yaíakov, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou. ď. Zie ook het volgende vers waarin gesproken wordt dat IsraŽl velen tot rechtvaardigheid zal brengen. Verder Ex.19:5,6 5  Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6  En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de IsraŽlieten spreken zult.

 

11 Hij zou zien (het doel) en tevreden zijn met zijn zielennood. Door zijn kennis zal mijn knecht (()), de rechtvaardige, velen tot rechtvaardigheid brengen

 

Nu op dit moment (dat IsraŽl weer verhoogt is) zien ze het doel van de oordelen en tevreden zijn omdat het hun teruggedreven heeft naar Gíd. Tussen haakjes : er staat hier Ďdoor zijn kennisí (en niet door zijn bloed). Nu komen ze toe aan hun taak: Het zijn van licht voor de volken, het zijn van Zijn getuigen die het wetsondericht (onderwijzen van de Thora) aan de volken zullen geven (Jes. 42:1-4 (zie boven)) Jesaja 43:10  Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn 11  Ik, Ik ben de Eeuwige, en buiten Mij is er geen Verlosser. 12  Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord van de Eeuwige, en Ik ben God. Jesaja 44:8  Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen. Zach. 8: 23  Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.

 

 

 

en hun ongerechtigheden zou hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en hij zal van de machtigen buit verdelen omdat hij zijn ziel heeft uitgestort in de dood, en werd geteld onder de goddelozen, en hij de zonden van velen gedragen heeft en hij voor de goddelozen gebeden heeft

 

Zie ook nu Ezech 34:27, 29-30 ď27 het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechtenÖ.29  Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30  En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis IsraŽls, mijn volk zijn, luidt het woord van Adonai de EeuwigeĒ . Verder bidden de joden dagelijks voor hun vijanden. Zie het joodse gebedenboek.

 

Jesaja 54:1 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeŽn gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de Eeuwige. 2  Maak de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. 3  Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken. 4  Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 5  Want uw man is uw Maker, Eeuwige der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige IsraŽls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. 6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Eeuwige geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God. 7  Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; 8  in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Eeuwige.

 

Ook met deze aansluitende teksten komt het duidelijk naar voren dat het niet om 1 persoon gaat maar om het volk IsraŽl als knecht van de Eeuwige die geleden heeft (54:7). Natuurlijk daar vallen de Messiassen daar ook onder als onderdeel van hun volk. Ze behoren immers ook tot het Joodse volk. Binnen het joods denken zijn er 2 Messiasbeelden. De Messias ben David en de Messias ben Jozef. Deze moet je niet met elkaar verwarren. De Messias ben Joseph wordt meer bedoeld als volk die door Gíd voor een bepaalde bediening is geroepen. Meerdere personen kunnen bijvoorbeeld een Messias ben Joseph zijn. Alle personen die onrechtvaardig lijden / en of sterven worden als een Messias ben Joseph gezien. Dat is echter heel iets anders dan de Messias ben David die als persoon een bepaalde eigen roeping heeft. Soms worden deze termen (in de christelijke theologie) zomaar gebruikt zonder de achtergrond en betekenis van deze namen (binnen het Joodse denken) te bekijken. Dan kom je tot oneigenlijke conclusies.

 

Dan verder het gedeelte uit Jes. 54 waar verder over de knecht van de Eeuwige wordt gesproken en waarin duidelijk te zien is dat er het volk IsraŽl mee bedoeld wordt.

 

9  Dit is Mij als in de dagen van Noach: zoals Ik gezworen heb, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. 10  Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Eeuwige. 11 Gij, ellendige, door storm voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik leg uw stenen in blinkend erts, Ik grondvest u op lazuurstenen, 12 Ik maak uw tinnen van robijnen, uw poorten van karbonkelstenen en uw gehele omwalling van edelsteen. 13 Al uw zonen zullen leerlingen van de Eeuwige zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn; 14 door gerechtigheid zult gij bevestigd worden. Weet u verre van onderdrukking, want gij hebt niet te vrezen, en van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen. 15  Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit; wie u aanvalt, zal over u vallen. 16  Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aanblaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen. 17  Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten van de Eeuwige en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord van de Eeuwige.

 

 

Zoals we reeds zagen wordt het volk IsraŽl ook wel de knecht van de Eeuwige genoemd. Daarnaast wordt het volk IsraŽl in de Tenach ook de (eerstgeboren) zoon van Gíd genoemd. Ex 4: 22  Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Eeuwige: IsraŽl is mijn eerstgeboren zoon; 23  daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene;

 

Hos. 11:1 Toen IsraŽl een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. 2  Hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden zij weg: aan de Baals offerden zij en aan de gesneden beelden brachten zij reukoffers. 3  En Ik leerde EfraÔm lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij erkenden niet dat Ik hen genas. 4  Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten. 5  Zal hij niet naar het land Egypte terugkeren? Ja, Assur zal zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren.      

 

Verder wordt Salomo (als onderdeel van zijn volk) genoemd dat hij is als een zoon voor Gíd (die de fysieke tempel zal bouwen). Een zoon van Gíd is iemand die de wil van Gíd uitvoert. 2 Sam. 7:12  Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen.  13  Die zal mijn naam een huis bouwen,  en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.  14  Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn.

Terug naar de Messias-introductie pagina

Terug naar Messias ben David

 

'Verborgen' Messias-teksten

 

 

Tanach, Stone Editie, Hebreeuwse Tanach met Engelse vertaling

Lets get Biblical; Rabbijn Tovia Singer

The Real Messiah; Rabbijn Aryeh Kaplan

The Jew and the Christian Missionary: A Jewish response to missionary Christianity; Gerald Sigal

The Torah Anthology Yalkut Me'am Lo'ez, The book of Yeshayahu Rabbijn Shmuel Yerushalmi

 

 

 

 

Start ] Omhoog ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013