Mitswot

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
English
עברית
Wie zijn wij?
EspaŮol
Beth Midrash
Het Joodse vragertje
Joods?
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Israel Photo's
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

 

Receive by e-mail a copy of the Mishne Thora of Maimonides in English

Ontvang per e-mail een exemplaar van de Mishne Thora van Maimonides in het Engels

 

…ťn God, de God van IsraŽl

Het volk IsraŽl

Het land IsraŽl

De Thora

Halacha

De 613 Mitswot (ge- en verboden)

Daily Halacha (verzorgd door Yeshiva.org.il)

(dagelijks worden er halachische vragen behandeld)

 

 

 

....en gij zult het (land IsraŽl) in bezit nemen en daarin wonen; dan zult gij naarstig onderhouden al de inzettingen en de verordeningen, die ik u heden voorhoud. Dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die gij naarstig zult onderhouden in het land dat de Eeuwige, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het te bezitten, zolang gij op de aardbodem leeft.

(Deut 11:31b-12:1)

 

 

 

De Mitswot zijn de instructies van de Eeuwige, verwoord in de Thora.

Het is een tot uitdrukking brengen van het 'Steeds voor ogen houden' van de Eeuwige (Ps 16:8)

 

 

Joods zijn is een manier van leven, het is praktisch.

 

In de Babylonische Talmud (Shabbat 31a) staat dat Raba zei dat er aan een persoon die voor het hemelse gerechtshof verschijnt gevraagd zal worden: Behandelde je je zaken eerlijk (getrouw) ?, Heb je tijd apart gezet voor Thorastudie?, Heb je er aan gewerkt om kinderen te krijgen? Heb je uitgezien naar de verlossing van de wereld? Er zal dus niet gevraagd worden wat je geloofd heb maar wat je gedaan hebt. Zie ook Mich. 6:8 ďHij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de Eeuwige van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God. Ē, In Jer 9:22, 23 staat het als volgt: ďZo zegt de Eeuwige: De wijze roeme niet op zijn wijsheid, en de sterke roeme niet op zijn kracht, de rijke roeme niet op zijn rijkdom, maar wie roemen wil, roeme hierin, dat hij verstand heeft en Mij kent, dat Ik de Eeuwige ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid op aarde doe; want in zodanigen heb Ik behagen, luidt het woord van de Eeuwige.Ē, Lev 19:18 ďmaar uw naaste liefhebben als uzelfĒ ook in de Mishna Pirke Avot 2:21 wordt de nadruk gelegd dat je verantwoordelijk bent voor je daden.

 

Binnen het Orthodoxe Jodendom geldt het levensmotto: Hoe kan ik de Eeuwige zo goed mogelijk dienen en hoe kan ik het beste Zijn Thora onderhouden? Om even het verschil aan te duiden met het christendom: Daar is het belangrijkste levensmotto: Hoe kan ik gered/behouden worden (van de hel). Het verschil tussen Joods en Christelijk denken zit er in het beginsel niet dat er verschil van mening is over de identiteit van de messias maar het verschil zit in deze verschillende levensmotto's.

 

Binnen het Joods denken gaat het er dus meer om wat je doet dan om wat je geloofd (behalve dat De Eeuwige de Ene, Enige ware God is). Daar direct aan verbonden is de Joodse gedachte: Hoe kan ik een beter mens worden. Hoe kan ik mijn leven verbeteren.

 

De mens heeft een vrije wil om tussen het goede en het kwade te kiezen. Ieder mens heeft een goede neiging (Jetzer HaTov) en een kwade neiging (Jetzer HaRa). De bedoeling is dat hij zich niet door zijn kwade neiging laat leiden maar door zijn goede neiging. Het 'in zonde geboren worden' dogma kent het Jodendom niet. Iedereen is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen daden. De zonde van een vader is met zijn dood volledig vernietigd (tenzij de zoon in de zonden van de vader volhardt). Je kunt als kind of kleinkind wel last hebben van (de gevolgen van) die zonde, of de gevolgen ervan zien.

 

 

Rabbijn Haim HaLevy Donin schrijft in zijn boek 'To be a Jew' dat het dienen van de Eeuwige op een viertal principes is gebaseert:

 

1) Er is maar …ťn GodDe God van IsraŽl zoals dat staat in Deut. 6:4  Hoor, IsraŽl: de Eeuwige is onze God; de Eeuwige is ťťn!  God is de schepper van alles. Hij is geen mens en is ondeelbaar.

 

Avraham was de grondlegger van de eerste monotheÔstische godsdienst (geloof in ťťn God). God zag dat Avraham in staat was dit geloof aan zijn kinderen door te geven. Daarom koos God Avraham uit om een verbond mee te sluiten. Het verbond wat God nu nog steeds met IsraŽl heeft. Als er wordt gesproken over Ďde God van IsraŽlí, betekent dat niet dat God alleen een God is van IsraŽl en niet van de volken. Toch wordt God wel zo genoemd, als herinnering aan het verbond van God met IsraŽl, nŪet om te zeggen dat Hij geen God is van de volken.

 

2) Het volk IsraŽl is door de Eeuwige uitgekozen, als Zijn volk, om Zijn Naam op aarde bekend te maken : In Gen. 12:1-3 staat geschreven ďDe Eeuwige nu zeide tot Avram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2  Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3  Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend wordenĒ. Hier staat geschreven dat God Zijn verbond met Avraham sluit. In Jes. 43:21 staat ďHet volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen.Ē. Het volk IsraŽl heeft de taak de wereld te onderwijzen over de enige God en over een rechtvaardige samenleving. Daarom moeten zij naar de standaard van God leven.Ē Het volk IsraŽl heeft God voor zichzelf uitgekozen. Ps. 135:4 ďwant de Eeuwige heeft Jakob voor Zichzelf verkoren, IsraŽl tot zijn bezitĒ

 

3) Het land IsraŽl is door de Eeuwige gekozen als plaats waar Hij wil wonen: Gen 17:7-11 ď7 Ik zal mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw nageslacht in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u en uw nageslacht tot een God te zijn. 8  Ik zal aan u en uw nageslacht het land, waarin gij als vreemdeling vertoeft het ganse land Kanaan, tot een altoosdurende bezitting geven, en Ik zal hun tot een God zijn. 9  Voorts zeide God tot Avraham: En wat u aangaat, gij zult mijn verbond houden, gij en uw nageslacht, in hun geslachten. 10  Dit is mijn verbond, dat gij zult houden tussen Mij en u en uw nageslacht: dat bij u al wat mannelijk is besneden worde; 11  gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden, en dat zal tot een teken van het verbond zijn tussen Mij en u.Ē Het is een mitswe op zich om in het land IsraŽl te wonen. Deut. 4:22 ďmaar gij zult die overtrekken en dat goede land in bezit nemenĒ Het is een mitswe om de Thora in het land IsraŽl te onderhouden. Deut. 6:1 ďDit nu is het gebod, dit zijn de inzettingen en verordeningen, die de Eeuwige, uw God, bevolen heeft u te leren om die na te komen in het land, waarheen gij zult trekken om het in bezit te nemenĒ. De Eeuwige heeft het land IsraŽl uitgekozen om er te wonen Ps. 132:13 ďWant de Eeuwige heeft Sion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerdĒ.

Ook kunnen bepaalde geboden van de Thora alleen maar in IsraŽl worden opgevolgd. In Deut. 4:5-40 geeft MoshŤ aan dat alle geboden eigenlijk er voor bestemd zijn om in het land IsraŽl uitgevoerd te worden. Zionisme is dus een Thora principe. Het huidige IsraŽl is verre van perfect maar zeker een stap een de richting van de volledige verlossing zo zegt HaRav Tzvi Yehuda HaCohen Kook. In de Talmud Ketubot 110b staat ďOnze rabbijnen leerden Ieder zou altijd in het land IsraŽl moeten wonen, zelfs eerder in een stad waar de meeste inwoners afgoden dienaars zijn dan in een stad buiten IsraŽl waar de meeste inwoners IsraŽlieten zijn, want van ieder die in het land IsraŽl leeft wordt verondersteld dat hij een God heeft maar van ieder die buiten IsraŽl leeft wordt verondersteld dat hij geen God heeft; want er staat geschreven (in Lev. 25:38) ď38  Ik ben de Eeuwige, uw God, die u uit het land Egypte heb geleid, om u het land Kanašn te geven, opdat Ik u tot een God zou zijn.Ē. Dit leert dat iemand die buiten IsraŽl leeft wordt gezien als iemand die afgoden aanbidt. En zo gaat dat gedeelte verder.

 

4) De Thora: Het is het geheel van de Joodse leer; Dat is de geschreven thora (Thora SheBiktav) en de mondelinge Thora (Thora She-Bíal Peh). Deze heeft Mozes gegeven aan Jozua die het weer doorgaf aan de oudsten die het weer aan de profeten doorgaven die het weer aan de mannen van de grote vergadering doorgaven. In Pirkť Avot 1:1 staat Moshť ontving de thora van de Sinai en gaf haar opgeschreven en mondeling verklaard ter verdere overlevering aan Jehosjoeaí en Jehosjoeaí aan de raad der oudsten, deze aan de profeten; de profeten gaven haar ter overlevering aan Ďde mannen van de grote vergaderingí. Deze hebben drie stellingen verkondigd: A) Wees voorzichtig bij het oordeelvellen. B). Leid veel leerlingen op. C) Stel beperkingen vast voor wat volgens de Thora geoorloofd is.

 

De mondelinge Thora spreekt over details van de schriftelijk Thora (bijvoorbeeld over invulling shabbat, manier van slachten, offers, tefillin, rechtspraak). In de 2e eeuw van de gewone jaartelling werd de mondelinge Thora op schrift gesteld (Mishna) om verlies door de verstrooiing te voorkomen. De Gemara is hier een commentaar op. Mishna en Gemara vormen samen de Talmud.

 

De Thora is richtingaangevend voor alle mensen. Bij Thorastudie hoort ook het bestuderen van alle commentaren. De mens kan de Thora houden. Het is mogelijk, want de mens is naar Gods beeld geschapen. De Thora is een Ďcodeboekí om God in heel de schepping te vinden.   

 

Doordat de Eeuwige de mens de opdracht geeft Zijn instructies op te volgen, zijn we instrumenten en partners van God om de schepping te vervolmaken. De mens is dus een wezenlijk onderdeel om God in deze wereld te laten zien.

 

De mondelinge Thora bevat geen nieuwe geboden die niet in de geschreven Thora staan. Het bestaat uit de uitleg hoe de geboden in de geschreven Thora uitgevoerd moeten worden. Als er bijvoorbeeld in de geschreven Thora staat dat je op Shabbat niet mag werken, legt de mondelinge Thora uit wat er onder werk wordt verstaan en wat niet. Ook profeten als Jesaja en Jeremia maken melding van instructies uit de Mondelinge Thora. Zie de betreffende studie.

 

God heeft de interpretatie van de Thora in handen van mensen heeft gelegd. (De Thora is niet meer in de hemel maar is op aarde). Het is de verantwoordelijkheid van het Sanhedrin om te bepalen hoe de Thora in hedendaagse situaties correct moet worden toegepast (dat heet halacha). Deut. 17: 9-11: ĎEn als je komt bij de priesters, de Levieten en bij de rechter die in die dagen de autoriteit is, vraag dan en zij zullen je de gerechtelijke uitspraak mededelen. Handel dan ook naar de uitspraak die ze je vanaf de plaats, die de Eeuwige zal uitkiezen, zullen mededelen en let er op het precies te doen zoals zij je zullen instrueren. Volgens de verklaring van de Thora die zij je instrueren en volgens het vonnis dat zij je zullen zeggen moet je handelen; wijk niet naar rechts noch naar links af van de uitspraak die zij je mededelení.  De Joodse Ďvadersí hebben vanuit dit principe bepaalde bakens gezet om de Thora niet te overtreden.

 

De geschreven Thora behandelt slechts het Ďframeí. Het zijn als het waren de grote lijnen. Vergelijk het met een krant. Knip de hoofdlijnen er uit en plak ze op papier. Dan heb je een vel met alleen de hoofdlijnen (zonder de details). Zo is de geschreven Thora. De mondelinge Thora is de toelichting op wat er in de geschreven Thora staat. Zonder die toelichting op Ďde hoofdlijnení kun je die hoofdlijnen dus eigenlijk niet houden. Je hebt dat kader nodig. Terugkomend op het Shabbats gebod moet je een kader hebben om te bepalen wie een gebodsovertreder is en wie niet. Wat voor de een werk is, is het voor de ander niet. Als Gíd de doodstraf op een overtreding stelt moet je duidelijke richtlijnen hebben op grond waarvan iemand als overtreder wordt gezien.

 

Soms heb je de mondelinge Thora ook nodig om de geschreven instructies uit te kunnen voeren. Als bijvoorbeeld geschreven staat dat bij jongetjes de voorhuid moet worden besneden moet je wel weten hoe het moet en wat er precies moet gebeuren. Wat moet weggesneden worden, wat is besnijden precies. In de geschreven Thora staat dat niet beschreven in de mondelinge Thora wel.

 

De mondelinge Thora moest mondeling doorgegeven worden. De kinderen moesten (zoals ook in de geschreven thora staat; Deut. 6: 4 Hoor, IsraŽl: de Eeuwige is onze Gíd; de Eeuwige is ťťn! 5  Gij zult de Eeuwige, uw Gíd, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. 6  Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, 7  gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.) mondeling de instructies van Gíd

 

De mondelinge thora is uiteindelijk rond 200 na de gewone jaartelling door Rabbijn Jehoeda Hanassi op papier gezet (blijkbaar waren de andere rabbijnen het er mee eens dat dit de inhoud van de mondelinge thora was) omdat door de verstrooiing het gevaar ontstond dat de inhoud anders verloren zou gaan. Hij hield de rangschikking aan waar Rabbijn Akiva en Rabbijn Meir al mee waren begonnen. Deze op schrift gestelde Mondelinge Thora heet de Mishna. Samen met het commentaar op deze Mishna (de Gemara) heet het de Talmoed. Ondanks dat de mondelinge Thora op schrift staat is het nog steeds de bedoeling dat de mondelinge Thora, mondeling aan anderen geleerd wordt. Je hebt dus een Rabbijn nodig om het te leren.

 

Een Joodse gedachte is dat de Thora 70 gezichten heeft, dat wil zeggen dat je vanuit 70 verschillende gezichtspunten naar een tekst kunt kijken en deze uitleggen.

 

De Thora is de belichaming van het Joodse geloof. Het bevat de grenzen van zijn verbond met God. Dit is het wat een Jood een Jood maakt.

 

Halacha, dat wil zeggen: Praktische toepassing van de geboden in de geschreven/mondelinge Thora. Rabbijn Donin legt uit: Letterlijk betekent het zoiets als: Ďde weg waarop je gaat, de manier waarop het gaatí. Hoe pas je de Thora in je leven van vandaag toe. Halacha is praktisch, niet filosofisch. Het beschrijft de rechten en plichten van het volk. Op het eerste gezicht lijkt het soms ook over niet-religieuze zaken te gaan. De halacha bevat alle terreinen van het leven en brengt dus alle dingen die we doen op een hoger plan. Het concretiseert, omdat het gericht is op daden. ĎDe halacha dient om concreet te maken wat anders abstract blijft, terwijl het ook dient om te heiligen wat anders zonder betekenis blijft.í (tussen haakjes: Halacha kan niet zonder Aggada (het verhalende praktische leven in relatie) en Aggada kan niet zonder Halacha. Halacha is een weg om de Joodse levensstijl te behouden. Een gevaar van het bestuderen en toepassen van halacha is het verlies aan spirituele kwaliteit. Maar zonder halacha verliest agadah (geloof) zijn karakter/inspiratiebron. Daden zijn belangrijk !. In de geschiedenis is gebleken dat zonder het nauwkeurig leven volgens de halacha assimilatie plaatsvond.

 

De reden voor die geboden zijn: Om gehoorzaamheid aan / het dienen van God tot uitdrukking te brengen. Heilig zijn voor God. Het is een invulling van het dienen van God met alles wat er in je is. Deut. 10:12 Nu dan, IsraŽl, wat vraagt de Eeuwige, uw God, van u dan de Eeuwige, uw God, te vrezen door in al zijn wegen te wandelen; Hem lief te hebben; de Eeuwige, uw God, te dienen met uw ganse hart en met uw ganse ziel. Deut. 4: 5  Zie, ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd, zoals de Eeuwige, mijn God mij geboden had, opdat gij aldus zoudt doen in het land, dat gij in bezit gaat nemen. 6  Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie. 7  Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zo nabij zijn als de Eeuwige, onze God, telkens als wij tot Hem roepen? 8  En welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig, als heel deze wet, die ik u heden voorleg? In Ex. 19: 6 staat ď En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volkĒ. Lev. 19:2 ďHeilig zult gij zijn, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben heilig.Ē

Sommige geboden zijn voor ons volkomen onbegrijpelijk. Joden noemen deze hukim (choekiem). Ook al begrijp je een mitswe niet, de ultieme reden om het toch te doen is het simpele feit dat God het wil! Niet begrijpen is nooit een reden voor niet doen.JudaÔsme is, zo leert Rabbijn Chaim HaLevy Donin te vergelijken met een grote legpuzzel met een mooie plaat erop. Een puzzelstukje op zich heeft geen betekenis, het stelt niets voor. Maar zonder dat stukje in de puzzel mis je een gedeelte van de mooie plaat. Elk stukje is nodig om de plaat zijn volle betekenis te geven. Het is daarom goed het totaal te zien: halacha is een geheel. Alles hoort bij elkaar: gebed, kashrut, tsedakaÖ Het doel van de halacha is: IsraŽl moet heilig zijn, want God is heilig.

Het volk IsraŽl (en iedereen) kan zich aan de Thora houden Deut. 30: 11-14: ĎWant dit gebod, dat ik je heden voorschrijf, is niet iets bovennatuurlijks voor je en het is niet iets dat ver verwijderd is. Het is niet in de hemel, zodat je zou moeten zeggen: ĎWie stijgt er voor ons naar de hemel, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen?í Ook is het niet aan de overkant van de zee, zodat je zou moeten zeggen: ĎWie steekt er voor ons over naar de overkant van de zee, haalt het voor ons en laat het ons horen, zodat wij het kunnen doen?í Integendeel, volkomen binnen je bereik is het gebod, zowel om het met je mond te belijden als om het met overgave van je hart te doen.í De Thora is dichtbij, bereikbaar!

 

De instructies van de Thora gelden voor eeuwig. Deut. 4:40 Onderhoud dan zijn inzettingen en zijn geboden, die ik u heden opleg, opdat het u en uw kinderen na u wel ga en opdat gij lang leeft in het land, dat de Eeuwige, uw God, u geven zal voor altijd.

 

In de Thora staan 613 ge- en verboden.

 

Hier volgt een lijst van van de geboden uit de Thora naar de lijst die door de Rambam is opgesteld. De Rambam heeft de geboden die in de Thora staan namelijk gecodificeerd (dat is gerangschikt).  De Rambam is een verkorte naam voor Rabbijn Moshe ben Maimon, of Maimonides. Hij is geboren in Cůrdoba op 30 maart 1135/1138 en overleden in Fostat/CaÔro op 13 dec. 1204. Hij was een van de eersten die de Joodse wet codificeerde. Het veertiende deel van de Mishneh Thora, een belangrijk werk van zijn hand, behandelt de gehele Joodse wet, het geloof in en het in de praktijk brengen ervan. De Rambam verdeelt de 613 Mitswot (ge/verboden) in 14 Ďboekení, met 83 hoofdstukken. Zijn volgorde gebruiken wordt hier gevolgt. Tussen haakjes: Met betrekking tot de Mitswot zijn er ook nog diverse halachische regels ter uitvoering en extra 'bescherming' van de mitswot. Die regels worden in deze lijst niet genoemd. Verder bestaan er naast de Mitswot (ge/verboden) ook nog vele Minhags. Minhags zijn gewoonten die in bepaalde groeperingen, stromingen en families in gebruik zijn. Die gebruiken worden door hun nakomelingen ook aangehouden uit respect voor voorouders en voorgangers. Ook deze Minhags worden hier niet genoemd.

 

Als je een exemplaar van de Mishneh Torah van de Rambam, waarin al de 613 Mitswes uitgebreid worden toegelicht, in het Engels per email wil ontvangen, stuur ons dan even een e-mail.

 

If you would like to get  by e-mail a copy of the Mishne Thora of Maimonides in English send us an e-mail

 

Wat ook niet in de lijst van Maimonides genoemd wordt is de mitswe van het wonen in het land IsraŽl (Deut. 4:22 ďmaar gij zult die overtrekken en dat goede land in bezit nemenĒ. Num 33:53 ďGij zult het land in bezit nemen en daarin wonen, want aan u heb Ik het land gegeven om het in bezit te nemen). Maimonides leerde, zo legt Rav Zvi Yehuda HaCohen Kook bij monde van Rabbijn David Samson uit, dat het niet alleen een Mitzwe is om als Jood in IsraŽl te wonen maar dat het een Mitzwe is waarop heel de Thora is gebaseerd. Alle mitswot zijn ervoor bestemd om in Eretz IsraŽl uitgevoerd te worden.  "....en gij zult het (land IsraŽl) in bezit nemen en daarin wonen; dan zult gij naarstig onderhouden al de inzettingen en de verordeningen, die ik u heden voorhoud. Dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die gij naarstig zult onderhouden in het land dat de Eeuwige, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het te bezitten, zolang gij op de aardbodem leeft."(Deut 11:31b-12:1). Daarnaast staat als nummer 4 en 5 vermeld de mitswe van het heiligen van de Naam van de Eeuwige en een verbod op het ontheiligen ervan. Volgens de Joodse wijzen is gebaseerd op een pasoek uit de Tenach (Ezech. 36) het verblijf van het Joodse volk in de verstrooing de grootste ontheiliging van de Naam van de Eeuwige. Als een Israeliet terugkeert naar het land IsraŽl wordt daarmee de naam van de Eeuwige geheiligd.

Voor alle volledigheid. Rabbijn Daniel Mann van het Eretz Hemdat Instituut schrijft: 'Volgens bijna alle hedendaagse meningen is het in de huidige tijd een mitswe om te wonen in het land Israel (Yeshivat Eretz Yisrael).' Wel wordt er volgens alleen nog gediscussieerd of dat het een gebod uit de Thora (Ramban, Aanvullingen bij Sefer HaMitzwot, Asei 4) is of dat het een rabbijnse instelling betreft'
 

Veel (van de hier genoemde) Mitswot uit de Thora kunnen nu op dit moment (nog)niet opgevolgd worden omdat de Tempel er op dit moment niet is (denk aan de geboden over de Tempel, offeranden, en een aantal voor priesters en levieten). Daarnaast zijn de geboden waarvoor  IsraŽl een theocratische regering nodig heeft op dit moment ook niet toepasbaar. Andere geboden (vooral landbouwkundige) zijn weer alleen van toepassing in het land IsraŽl (daarom kan een IsraŽliet zich vandaag het beste aan de Mitswot houden in het land IsraŽl). Volgens Rabbijn IsraŽl Meir (die wordt de Chafetz Chayim genoemd) kunnen er op dit moment 77 positieve en 194 negatieve mitzwot buiten IsraŽl uitgevoerd worden. In de lijst gebruiken we de CC codering. Deze codering verwijst naar de indeling van de Chafetz Chayim;

CCA betekent een positieve mitzwe (die nu ook buiten IsraŽl uitgevoerd kan worden)

CCN is de negatieve mitzwe (die nu ook buiten IsraŽl uitgevoerd kan worden).

CCI betekent dat deze mitswe alleen in de Staat IsraŽl uitgevoerd kan worden.

De mitswes zonder codering zijn nu op de een of andere manier op dit moment nog niet, of gedeeltelijk nog niet uit te voeren.

 

 

 

Over Gíd

 

1.       Weet en geloof dat Gíd bestaat (Ex. 20:2; Deut. 5:6) (CCA 1).

2.       Je mag niet geloven dat er meerdere goden bestaan naast de Eeuwige Zelf (Ex. 20:3) (CCN 8).

3.       Spreek geen Gídslastering uit. Daar staat de doodstraf op (Ex. 22:27) (negatief).

4.       Heilig de Naam van Gíd (Lev. 22:32) (positief).

5.       Ontheilig de Naam van Gíd niet (Lev. 22:32) (CCN 155).

6.       Geloof en weet dat Gíd …ťn is, een complete Eenheid (Deut. 6:4) (CCA 2).

7.       Heb Gíd lief (Deut. 6:5) (CCA 3).

8.       Vrees Gíd en dien Hem (Deut. 6:13; 10:20) (CCA 4).

9.       Je mag Gíd niet verzoeken (Deut. 6:16) (negatief).

10.    Wandel in Zijn goede en rechtvaardige wegen (volg Zijn instructies op) (Deut. 28:9) (CCA 6).

 

Thora

 

11.    Eert de oud(er)en en de wijzen (Lev. 19:32) (CCA 17).

12.    Leer/bestudeer de Thora en onderwijst hem (Deut. 6:7) (CCA 14).

13.    Hang Gíd aan (Deut. 10:20) (CCA 16).

14.    Voeg niets aan de Thora toe, zowel aan de geschreven Thora als aan de door traditie overgeleverde interpretatie (:de Mondelinge Thora; die terug gaat  op Mozes, die heeft deze op SinaÔ ontvangen) (Deut. 13:1) (CCN 159).

15.    Doe ook niets van de Thora af (Deut. 13:1) (CCN 160) (daarbij hoort ook weer de Mondelinge Thora; deze gaat terug op Mozes, die heeft deze op SinaÔ ontvangen)

16.    Iedereen moet een Thorarol voor zichzelf schrijven (Deut. 31:19) (CCA15).

 

Tekenen en symbolen

 

17.    Iedere man moet besneden (Brit Mila) zijn, ieder mannelijke nakomeling moet besneden worden  (Gen. 17:12; Lev. 12:3) (CCA47).

18.    Maak gedenkkwasten (Tsietsiet)  met blauwpurperen (Techelet) draad aan de hoeken van je kleding (Num. 15:38) (CCA10).

19.    Bind een gebedsriem (Tefillin) om het hoofd (Deut. 6:8) (CCA9).

20.    Bind een gebedsriem (Tefillin) om je arm (Deut. 6:8) (CCA8).

21.    Bevestig een Messuza op je deurposten en poorten van je huis (Deut. 6:9) (CCA12). Het gaat dan eigenlijk om het perkamentrolletje met de betreffende handgeschreven teksten uit de Thora. Deut. 6: 4- 9 en 11: 13- 20.

 

Gebeden en zegeningen

 

22.    Dien G'd / Bid tot Gīd (Ex. 23:25; Deut. 6:13) (CCA7) Het woord Ďdienení in de Thora moet je volgens de Talmud vertalen met Ďbidden totí.

23.    Lees het ĎShema Yisraelí iedere morgen en iedere avond (Deut. 6:7) (CCA11).

24.    Spreek de zegeningen(dankgebed) na de maaltijden (Birkat haMazon) uit (Deut. 8:10) (CCA13).

25.    Leg geen steen neer / richt geen steen op voor aanbidding (van afgoden) (Lev. 26:1) (CCN 161).

 


Liefhebben en broederschap

 

26.    Heb alle mensen van het Verbond (van Gíd met IsraŽl) lief (Lev. 19:18) (CCA60).

27.    Kijk niet toe wanneer iemand in gevaar verkeert, maar biedt daadwerkelijk hulp aan (Lev. 19:16) (CCN 82).

28.    Roddel niet over iemand en strooi geen laster (lashon hara) (betekent letterlijk boze tong) rond (Lev. 25:17) (CCN 48).

29.    Verspreid geen leugens/onwaarheden over iemand (ook lashon hara) (Lev. 19:16) (CCN 77).

30.    Wees in je hart niet haatdragend (Lev. 19:17) (CCN 78).

31.    Neem geen wraak (Lev. 19:18) (CCN 80).

32.    Heb / draag geen wrok (Lev. 19:18) (CCN 81).

33.    Zet geen IsraŽliet te schande / Beschaam geen IsraŽliet  (Lev. 19:17) (CCN 79).

34.    Vervloek geen andere IsraŽliet (Lev. 19:14) (CCN 45).

35.    Geef eenvoudige zielen (personen) geen reden te vallen. Daar valt ook onder het aanleiding geven om te zondigen (Lev. 19:14) (CCN 76).

36.    Berisp iemand die zondigt (Lev. 19:17) (CCA72).

37.    Ontlast je buurman van zijn lasten en help hem zijn dieren af te laden / te lossen (Ex. 23:5) (CCA 70).

38.    Bied hulp met het opnieuw opbinden van de lading op het dier van je buurman (Deut. 22:4) (CCA 71).

39.    Laat een dier, wanneer het gevallen is door de zware last, niet hulpeloos liggen (Deut. 22:4) (CCN 183).

 

De armen en de ongelukkigen

 

40.    Onderdruk of benauw geen wees of een weduwe. Laat hen niet lijden (Ex. 22:21) (CCN 51).

41.    Oogst niet de gehele oogst van het land (Lev. 19:9; Lev. 23:22) (negatief) (CCI 6).

42.    Laat een ongeoogste hoek staan, op je land of boomgaard, voor de armen (Lev. 19:9) (positief) (CCI 1).

43.    Raap de resten van de oogst, die je bij het oogsten op de grond hebt laten vallen, niet op (Lev. 19:9) (negatief) (CCI 7).

44.    Laat de resten van de oogst voor de armen liggen (Lev. 19:9) (positief) (CCI 2).

45.    Oogst niet de onvolledige trossen (olīloth) van de wijngaard (Lev. 19:10) (negatief) (CCI 8).

46.    Laat de onvolledige trossen (olīloth) van de wijngaard voor de armen hangen (Lev. 19:10; Deut. 24:21) (positief) (CCI 3).

47.    Raap de op de grond gevallen druiven (peret) niet op (Lev. 19:10) (negatief) (CCI 9).

48.    Laat een gevallen druif  (peret) voor de armen liggen (Lev. 19:10) (positief) (CCI 4).

49.    Keer niet terug om een vergeten schoof van het land op te halen. Dit zelfde principe geldt ook bij fruitbomen (Deut. 24:20) (negatief) (CC10).

50.    Laat de vergeten schoven voor de armen liggen. Dit zelfde principe geldt ook bij fruitbomen (Deut. 24:19) (positief) (CCI 5)

51.    Houd je niet in wanneer je een arme onderhoudt en geef hem wat hij nodig heeft (Deut. 15:7) (CCN 62).

52.    Geef liefdadigheids gaven (tsedeka) naar je vermogen (Deut. 15:11) (CCA 38).


Behandeling van de niet-Joden
(geer resp. goyiem)

 

53.    Heb de Geer (prozeliet) lief (Deut. 10:19) (CCA 61).

54.    Spreek geen kwaad over de Geer (prozeliet) (Ex. 22:20) (CCN 49).

55.    Licht de Geer (prozeliet) niet op (Ex. 22:20) (CCN 50).

 

56.    Trouw niet met een niet-Jood (Deut. 7:3) (CCN 19).

57.    Vorder de schuld van een vreemdeling/buitenlander in (Deut. 15:3) (positief).

58.    Leen een vreemdeling met rente (Deut. 23:21) (positief).


Huwelijk, scheiding en familie

 

59.    Eer je vader en moeder (Ex. 20:12) (CCA 41).

60.    Sla je vader of moeder niet (Ex. 21:15) (CCN 44).

61.    Vervloek je vader of moeder niet (Ex. 21:17) (CCN 46).

62.    Respecteer/vrees je vader en moeder (Lev. 19:3) (CCA 42).

63.    Wees vruchtbaar en vermenigvuldig je (Gen. 1:28) (CCA 43).

64.    Een gecastreerde (eunuch) mag niet met een Joodse vrouw trouwen (Deut. 23:2) (CCN 136).

65.    Een onwettig kind (bastaard/mamzer) mag niet met een Joodse vrouw trouwen (Deut. 23:3) (CCN 137).

66.    Een Ammoniet of een Moabiet zal nooit met een Joodse vrouw mogen trouwen (Deut. 23:4) (negatief).

67.    Sluit geen nakomeling van Esav (Ezau), vanaf de derde generatie, buiten de gemeenschap van IsraŽl (Deut. 23:8-9) (negatief).

68.    Sluit geen Egyptenaar, vanaf de derde generatie, buiten de gemeenschap van IsraŽl (Deut. 23:8-9) (negatief).

69.    Er mogen geen prostituees in IsraŽl zijn. Dit betekent dat er geen geslachtgemeenschap mag plaatsvinden buiten een huwelijk, (dat is gesloten door een formele huwelijkssluiting (kiddushin) en door middel van een huwelijks verklaring (ketubah)) (Deut. 23:18) (CCN 133).

70.    Trouw een vrouw door middel van de Kiddushin (formele huwelijkssluiting (door rabbijn)) (Deut. 24:1) (CCA 44).

71.    De pas getrouwde man mag 1 jaar vrij hebben om met zijn vrouw van het huwelijk te kunnen genieten (Deut. 24:5) (positief).

72.    De bruidegom wordt 1 jaar uitgesloten van gemeenschappelijke arbeid als militaire dienst, het bewaken van de poorten en andere gelijkwaardige verplichtingen. (Deut. 24:5) (negatief).

73.    Onthoud geen voedsel, kleding en echtelijke rechten aan je vrouw (Ex. 21:10) (CCN 42).

74.    Als een vrouw verdacht wordt van overspel, zal er gehandeld worden op de manier, zoals het in de Thora beschreven staat (Num. 5:30) (positief).

75.    Degene die de eer van zijn vrouw omlaag haalt (door haar vals te beschuldigen van een onrein leven voor haar huwelijk) is verplicht zijn hele leven lang bij deze vrouw blijven (Deut. 22:19) (positief).

76.    Een man mag niet scheiden van de vrouw die hij schriftelijk beschuldigd heeft van onreinheid in de periode van voor haar huwelijk (Deut. 22:19) (negatief).

77.    Scheiding mag alleen middels officiŽle scheidingspapieren (een Get; dat is een scheidbrief) plaatsvinden (Deut. 24:1) (positief).

78.    Een man mag niet met zijn ex-vrouw hertrouwen, wanneer zij na de scheiding hertrouwd is geweest (Deut. 24:4) (CCN 134).

79.    Wanneer een vrouw kinderloos weduwe wordt, mag ze alleen met haar zwager hertrouwen (Deut. 25:5) (CCN 135).

80.    Trouw met de weduwe van je overleden broer wanneer zij kinderloos waren (Deut. 25:5) (CCA 45).

81.    Wanneer de zwager weigert te trouwen moet de weduwe van zijn overleden broer, hem vrijstellen van de hier boven genoemde zwagerwet (Deut. 25:7-9) (CCA 46).


Verboden sexuele relaties

 

82.    Onthoud je bij verwante familieleden van dingen, als kussen, omhelzen, lonken en aanrakingen, die tot incest kunnen leiden (Lev. 18:6) (CCN 110).

83.    Pleeg geen incest met je moeder (Lev. 18:7) (CCN 112).

84.    Pleeg geen mannelijke geslachtsverkeer (sodomie) met je vader (Lev. 18:7) (CCN 111).

85.    Pleeg geen incest met je vaders vrouw (Lev. 18:8) (CCN 113).

86.    Pleeg geen incest met je zus (Lev. 18:9) (CCN 127).

87.    Pleeg geen incest met de dochter van je vaders vrouw (Lev. 18:9) (CCN 128).

88.    Pleeg geen incest met de dochter van je zoon (Lev. 18:10) (CCN 119).

89.    Pleeg geen incest met de dochter van je dochter (Lev. 18:10) (CCN 119)

90.    Pleeg geen incest met je dochter (CCN 120). Dit gebod staat niet letterlijk zo in de Thora, maar het is uit andere geboden op te maken.

91.    Pleeg geen incest met de zus van je vader (Lev. 18:12) (CCN 129).

92.    Pleeg geen incest met de zus van je moeder (Lev. 18:13) (CCN 130).

93.    Pleeg geen incest met de vrouw van je vaders broer (Lev. 18:14) (CCN 125).

94.    Pleeg geen mannelijke geslachtsverkeer met je vaders broer (Lev. 18:14) (CCN 114).

95.    Pleeg geen incest met de vrouw van je zoon (Lev. 18:15) (CCN 115).

96.    Pleeg geen incest met de vrouw van je broer (Lev. 18:16) (CCN 126).

97.    Pleeg geen incest met je vrouwís dochter (Lev. 18:17) (CCN 121).

98.    Pleeg geen incest met de dochter van je vrouwís zoon (Lev. 18:17) (CCN 122).

99.    Pleeg geen incest met de dochter van je vrouwís dochter (Lev. 18:17) (CCN 123).

100.  Pleeg geen incest met je vrouwís dochter (Lev. 18:18) (CCN 131).

101.  Heb geen gemeenschap met een vrouw in haar menstruatie periode (Lev. 18:19) (CCN 132).

102.  Heb geen gemeenschap met een vrouw van een ander (Lev. 18:20) (CCN 124).

103.  Heb geen mannelijke geslachtsverkeer (sodomie) met een man (Lev. 18:22) (CCN 116).

104.  Heb geen gemeenschap met een dier (Lev. 18:23) (CCN 117).

105.  Een vrouw mag geen gemeenschap hebben met een dier (Lev. 18:23) (CCN 118).

106.  Castreer geen man(netje). Geen man, geen mannetje van een dier; huisdier, wild dier of gevogelte (Lev. 22:24) (CCN 143).

 

Tijden en hoogtijdagen (feesten)
 

107. De nieuwe maan(d) dient op een heilige manier bepaald te worden. De maanden en jaren zullen uitsluitend bepaald c.q. uitgerekend worden door het Joodse (religieus) Hoger Gerechtshof (Sanhedrin) (Ex. 12:2) (positief).

108. Reis op de Shabbat niet buiten de grenzen van je woon/verblijfplaats (Ex. 16:29) (CCN 7).

109. Heilig de Shabbat (Ex. 20:8) (CCA 19).

110. Werk niet (doe geen melacha) op de Shabbat (Ex. 20:10) (CCN 6).

111. Rust op de Shabbat (Ex. 23:12; 34:21) (CCA 20).

112. Vier de verplichte feesten; Pesach, Shavuot en Sukkot (Ex. 23:14) (positief).

113. Verblijd/verheug je op de feesten (Deut. 16:14) (CCA 21).

114. Verschijn  in de Tempel  op de feesten (Deut. 16:16) (positief).

115. Verwijder alle gist (chamets) op de vooravond van Pesach uit je huis (Ex. 12:15) (CCA 22).

116. Rust op de 1e dag van de Pesach (Ex. 12:16; Lev. 23:7) (CCA 25).

117. Werk niet (doe geen melacha) op de 1e dag van de Pesach (Ex. 12:16; Lev. 23:6-7) (CCN 147).

118. Rust op de 7e dag van de Pesach (Ex. 12:16; Lev. 23:8) (CCA 27).

119. Werk niet (doe geen melacha) op de 7e dag van de Pesach (Ex. 12:16; Lev. 23:8) (CCN 148).

120. Eet ongezuurde broden (matses) op de 1e avond van Pesach (Ex. 12:18) (CCA 23).

121. Er mag geen gist (chamets) in je bezit zijn tijdens alle dagen Pesach. Dit geldt voor iedere IsraŽliet. (Ex. 12:19) (CCN 3).

122.  Eet tijdens Pesach geen voedsel wat gist (chamets) bevat (Ex. 12:20) (CCN 5).

123.  Eet tijdens Pesach geen gist (chamets) (Ex. 13:3) (CCN 4).

124.  De gist (chamets) mag tijdens Pesach niet in iemands huis aanwezig zijn Ex. 13:7) (CCN 2).

125.  Vertel tijdens de eerste avond van Pesach over de uittocht uit Egypte en spreek er met elkaar over (Ex. 13:8) (CCA 24). 

126.  Eet geen gist (chamets) na de middag van de 14e Nissan (Deut. 16:3) (CCN 104).

127. Tel de 49 dagen vanaf het oogsten van de Omer (eerste schoof van de gerste oogst) (tijdens Pesach) tot Shavuot (Wekenfeest) (Lev. 23:15) (CCA 26).

128. Rust op Shavuot (Lev. 23:21) (CCA 28).

129. Werk niet (doe geen melacha) op de Shavuot (Lev. 23:21) (CCN 149).

130. Rust op Rosh Hashana (nieuwjaarsfeest) (Lev. 23:24) (CCA 29).

131. Werk niet (doe geen melacha) op de Rosh Hashana (Lev. 23:25) (CCN 150).

132. Luister naar het geluid van de shofar (ramshoorn) tijdens Rosh Hashana (Num. 29:1) (CCA 30).

133. Vast op Yom Kippur (Grote Verzoendag) (Lev. 23:27) (CCA 32).

134. Eet of drink niet tijdens Yom Kippur (Lev. 23:29) (CCN 152).

135. Werk niet (doe geen melacha) tijdens Yom Kippur (Lev. 23:31) (CCN 151).

136. Rust op Yom Kippur (Lev. 23:32) (CCA 31).

137. Rust op de 1e dag van de Sukkot (loofhuttenfeest) (Lev. 23:35) (CCA 34).

138. Werk niet (doe geen melacha) op de 1e dag van de Sukkot (Lev. 23:35) (CCN 153).

139. Rust op de 8e dag van Sukkot (Shemini Atzeret) (Lev. 23:36) (CCA 37).

140. Werk niet (doe geen melacha) op de Shemini Atzeret (Lev. 23:36) (CCN 154).

141. Neem tijdens de Sukkot een palmtak met 3 verschillende planten (Lev. 23:40) (CCA 36).

142. Woon de 7 dagen van Sukkot in een loofhut (Sukkah) (Lev. 23:42) (CCA 35).

142. Woon de 7 dagen van Sukkot in een loofhut (Sukkah) (Lev. 23:42) (CCA 35).


Spijs/Voedingswetten
 

143. Je moet in staat zijn reine dieren, aan de hand van kenmerken, van onreine dieren te onderscheiden (Lev. 11:2) (positief).

144.  Eet geen vlees van onreine dieren (Lev. 11:4) (CCN 93).

145. Je moet in staat zijn reine vissen, aan de hand van kenmerken, van onreine vissen te onderscheiden (Lev. 11:9) (positief).

146.  Eet geen onreine vissen (Lev. 11:11) (CCN 95).

147. Je moet in staat zijn rein gevogelte, aan de hand van kenmerken, van onrein gevogelte te onderscheiden (Deut. 14:11) (positief).

148.  Eet geen onrein gevogelte (Lev. 11:13) (CCN 94).

149.  Je moet in staat zijn aan de hand van kenmerken reine sprinkhanen van onreine te onderscheiden (Lev. 11:21) (positief).

150.  Eet geen worm die je in het fruit vindt (Lev. 11:41) (CCN 98).

151. Eet geen kruipende dieren (wemelend gedierte, dat op de aarde zich beweegt) (Lev. 11:41-42) (CCN 97).

152.  Eet geen ongedierte (wemelend gedierte, dat op de aarde wriemelt) (Lev. 11:44) (CCN 100).

153.  Eet geen wemelend gedierte uit het water (Lev. 11:43 and 46) (CCN 99).

154.  Eet geen gevleugelde insecten (Deut. 14:19) (CCN 96).

155.  Eet geen vlees van verscheurde dieren (terefah/treifa) (Ex. 22:30) (CCN 87).

156.  Eet niet het vlees van dieren die uit zichzelf zijn gestorven (Deut. 14:21) (CCN 86).

157. Slacht het vee, hert en gevogelte dat gegeten moet worden volgens de slachtvoorschriften (shechita) (Deut. 12:21) (CCA 48).

158.  Eet geen ledemaat  wat genomen is van een levend dier (Deut. 12:23) (CCN 90).

159.  Slacht het jong van een dier niet op dezelfde dag als zijn ouder (Lev. 22:28) (CCN 108).

160.  Neem geen moedervogel weg tezamen met het(/de) jong(en) (Deut. 22:6) (CCN 189).

161.  Wanneer je een nest leeghaalt, moet je de moedervogel laten gaan (Deut. 22:6-7) (CCA 74).

162.  Eet geen vlees van een os die tot steniging veroordeeld was (Ex. 21:28) (negatief).

163.  Kook geen vlees in de melk (Ex. 23:19) (CCN 91).

164.  Eet geen vlees tegelijk met melk (Ex. 34:26; 23:19) (CCN 92).

165.  Eet niet van de dijader (die kromp) (Gen. 32:32) (CCN 1).

166.  Eet geen talgvet (dat o.a. de ingewanden bedekt (chelev); dat zijn verboden diervetten (Lev. 7:23) (CCN 88).

167.  Eet geen bloed (Lev. 7:26) (CCN 89).

168. Bedek het bloed van de gejaagde/neergeschoten dieren (geen huisdieren maar bijvoorbeeld een hert) en gevogelte (Lev. 17:13) (CCA 49).

169.  Eet en drink niet als een veelvraat en een donkaard (rebellerend tegen zijn vader en moeder) (Lev. 19:26; Deut. 21:20) (CCN 106).


Zakelijke handelwijzen/praktijken
 

170.  Benadeel de ander niet  bij koop en verkoop (Lev. 25:14) (CCN 47).

171.  Je mag bij een lening aan een IsraŽliet geen rente vragen (Lev. 25:37) (CCN 54).

172.  Leen niet iets met rente. Dit zou de lener tot zonden brengen (Deut. 23:20) (CCN 55).

173.  Doe niet mee aan woekerpraktijken tussen de lener en geldschieter; niet als borg, niet als getuige, niet als schrijver/opsteller die de contracten tussen de lener en de woekeraar opmaakt (Ex. 22:24) (CCN 53).

174. Leen aan arme mensen (Ex.22:24; Deut. 15:8) (CCA 62). Het wordt gezien als verplichting ondanks dat er staat ďindienĒ.

175. Eis van een arme man niet dat hij de schuld aflost wanneer jij weet dat hij je niet kan betalen. Dwing hem niet (Ex.22:24) (CCN 52).

176. Neem geen zaken in onderpand waarmee een persoon zijn eten mee moet bereiden (Deut. 24:6) (CCN 58).

177. Neem niets met geweld in onderpand (Deut. 24:10) (CCN 59).

178. Neem niet iets in onderpand als de eigenaar dat voorwerp nodig heeft (Deut. 24:12) (CCN 61).

179. Geef het verpande voorwerp weer aan de eigenaar terug (Deut. 24:13) (CCA 63).

180. Neem niets in onderpand van een weduwe (Deut. 24:17) (CCN 60).

181. Fraudeer niet tijdens het afwegen of afmeten van iets (Lev. 19:35) (CCN 83).

182. Wees er van overtuigt dat jouw gewichten en je weegschaal correct zijn (Lev. 19:36) (positief).

183. Heb geen onnauwkeurige meetinstrumenten en gewichten in je bezit (Deut. 25:13-14) (CCN 84).


Werknemers, bedienden en slaven
 

184.  Treuzel niet met het uitbetalen van salarissen (Lev. 19:13) (CCN 38).

185.  Het is de ingehuurde werker toegestaan van de producten die hij gemaaid, geoogst heeft te eten (Deut. 23:25-26) (CCA 65).

186.  De ingehuurde werker mag niet meer van de door hem gemaaide, geoogste producten nemen dan dat hij opkan (Deut. 23:25) (CCN 187).

187.  De ingehuurde werker mag niet van de producten eten wat nog niet geoogst is (Deut. 23:26) (CCN 186).

188.  Betaal het salaris van de werknemer uit op de juiste tijd (Deut. 24:15) (CCA 66).

189.  Behandel een Hebreeuwse huurling/contractant juridisch juist in overeenstemming met de wetten die op hem van toepassing zijn (Ex. 21:2-6) (positief).

190.  Verplicht een Hebreeuwse dienstknecht niet het werk van een slaaf te doen (Lev. 25:39) (negatief).

191.  Verkoop een Hebreeuwse dienstknecht niet als een slaaf (Lev. 25:42) (negatief).

192.  Behandel een Hebreeuwse dienstknecht niet streng (Lev. 25:43) (negatief).

193. Sta niet toe dat een goy zijn Hebreeuwse huurling/contractant die aan hem is verkocht bruut behandeld (Lev. 25:53) (negatief).

194. Stuur een Hebreeuwse huurling/contractant nooit weg met lege handen als hij vrijgesteld wordt van dienst (Deut. 15:13) (negatief).

195.  Wees vrijgevig wanneer de Hebreeuwse huurling/contractant wordt vrijgesteld aan het eind van zijn termijn (Deut. 15:14) (positief).

196.  Koop een Hebreeuwse slavin die nog maagd is vrij (Ex. 21:8) (positief).

197. Verkoop de Hebreeuwse slavin, die nog maagd is, niet door aan een andere eigenaar (Ex. 21:8) (negatief).

198.  Neem een Hebreeuwse slavin, die nog maagd is, aan (Ex. 21:8-9) (positief).

199.  Behoudt een Kanašnitische slaaf voor altijd (Lev. 25:46) (positief).

200.  Lever geen slaaf uit aan de eigenaar, wanneer de slaaf gevlucht is naar IsraŽl en de eigenaar van buiten IsraŽl komt (Deut. 23:16) (negatief).

201.  Doe zoīn slaaf geen onrecht aan (Deut. 23:17) (negatief).

202.  Muilkorf een dier niet wanneer het op het land werkt, zodat hij ervan kan eten en ervan kan genieten (Deut. 25:4) (CCN 188).

 

Geloften, eden en zweren

 

203.  Een man moet doen wat hij gezegd heeft (Deut. 23:24) (CCA 39).

204.  Zweer niet onnodig (Ex. 20:7) (CCN 29).

205.  Breek geen eed en zweer niet vals (Lev. 19:12) (CCN 31).

206.  Handel bij het annuleren van een gelofte volgens de regels die in de Thora zijn uiteengezet (Num. 30:2-17) (CCA 40).

207.  Verbreek geen gelofte (Num. 30:3) (CCN 184).

208.  Zweer alleen bij de Naam van HaShem (Deut. 10:20) (positief).

209.  Vertraag niet in het vervullen van geloften, gebrachte geloften of het vrijwillige offeren (Deut. 23:22) (CCN 185).

 

De Shabbatsjaren en Jubeljaren
 

210. Laat je land tijdens het Shabbatsjaar rusten (Ex. 23:11; Lev. 25:2) (positief) (CCI 20).

211. Tijdens het Shabbatsjaar mag je het land niet bewerken (Ex. 23:11) (positief) (Lev. 25:2) (CCI 21).

212. Tijdens het Shabbatsjaar mag je de grond niet bezaaien/bewerken (Lev. 25:4) (negatief) (CCI 22).

213. Bewerk de bomen niet (denk bijv. aan snoeien) tijdens het Shabbatsjaar (Lev. 25:5) (negatief) (CCI 23).

214. Het is niet toegestaan tijdens het Shabbatsjaar de oogst, die spontaan is opgekomen, te oogsten (Lev. 25:5) (negatief) (CCI 24).

215. Het is niet toegestaan tijdens het Shabbatsjaar fruit te oogsten op dezelfde manier als het in de andere jaren wordt gedaan (Lev. 25:5) (negatief) (CCI 25).

216.  Blaas de Shofar om het Shabbatsjaar in te luiden  (Lev. 25:9) (positief).

217.  Scheld in het 7e jaar de schuld kwijt aan mensen waaraan jij geleend hebt (Deut. 15:2) (CCA 64).

218.  Eis geen uitgeleende zaken terug nadat het Shabbatsjaar voorbij is (Deut. 15:2) (CCN 57).

219.  Schroom niet om, vanwege de instelling van het Shabbatsjaar, aan armen uit te lenen (Deut. 15:9) (CCN 56).

220.  Verzamel de mensen zodat zij de Thora zullen horen (voorlezen) bij de afsluiting van het 7e jaar (Deut. 31:12) (positief).

221.  Tel de jaren van het Jubeljaar per jaar en per cyclussen van 7 jaren. (Lev. 25:8) (positief).

222.  Heilig het Jubeljaar door te rusten en het land braak te laten liggen (Deut. 31:12) (positief)

223.  Tijdens het Jubeljaar mag het land niet gecultiveerd en bemest worden. Ook de bomen mogen niet worden bewerkt (Lev. 25:11) (negatief).

224. Het is niet toegestaan tijdens het Jubeljaar de oogst, die spontaan is opgekomen, te oogsten op dezelfde manier als dat in de andere jaren wordt gedaan (Lev. 25:11) (negatief).

225. Het is niet toegestaan tijdens het Jubeljaar fruit te oogsten op dezelfde manier als dat in de andere jaren wordt gedaan (Lev. 25:11) (negatief).

226. Geef tijdens het Jubeljaar de oorspronkelijke grondbezitters hun grond terug (Lev. 25:24) (positief).

 

De rechtbanken rechtsgang

 

227.  Stel in iedere gemeenschap van IsraŽl rechters en gezagsdragers aan (Deut. 16:18) (positief).

228. Je mag geen rechter aanstellen, die de Thora niet goed kent, ook niet als hij een specialist is in andere takken van wetenschap (Deut. 1:17) (CCN 64).

229.  Oordeel (voer de wet uit) in zaken van koop en verkoop (Lev. 25:14) (CCA 67).

230.  Spreek recht in geval van wettelijke aansprakelijkheid bij betaalde opslag (Ex. 22:9) (positief).

231. Oordeel (voer de wet uit) in zaken van vermissing/verlies waarbij de lener aansprakelijk is (Ex. 22:13-14) (positief).

232.  Beslis over zaken m.b.t. erfenissen/erfgoed (Num. 27:8-11) (CCA 73).

233.  Spreek recht in geval van schade door een onbedekte kuil (Ex. 21:33-34) (positief).

234.  Spreek recht in geval van letsel veroorzaakt door dieren (Ex. 21:35-36) (positief).

235. Spreek recht in geval van schade door vee bij het betreden van verboden terrein (Ex. 22:4) (positief).

236.  Spreek recht in geval van schade veroorzaakt door brand (Ex. 22:5) (positief).

237.  Spreek recht in geval van schade bij verlenen van gratis opslagruimte (Ex. 22:6-7) (positief).

238. Oordeel (voer de wet uit) in andere zaken tussen een aanklager en een verdediger (Ex. 22:8) (positief).

239.  Vervloek een rechter niet (Ex. 22:27) (CCN 63).

240.  Degene die over bewijs beschikt, moet getuigen tijdens een rechtszaak (Lev. 5:1) (positief).

241.  Leg geen valse getuigenis af (Ex. 20:13) (CCN 39).

242.  Een getuige mag niet als rechter handelen in een zaak waarin hij bewijs heeft aangedragen (Num. 35:30) (negatief).

243.  Een overtreder/misdadiger mag niet getuigen (Ex. 23:1) (CCN 75).

244. De rechtbank mag de verklaring van een nabij familielid van de aangeklaagde niet accepteren bij een grote overtreding (waarop de doodstraf staat) (Deut. 24:16) (CCN 74).

245. Hoor geen verklaringen aan van de ene partij, als de andere partij niet aanwezig is (Ex. 23:1) (CCN 65).

246. Onderzoek de getuige grondig (Deut. 13:15) (positief).

247. Beslis niet over een zaak op grond van ťťn getuigenverklaring (Deut. 19:15) (CCN 73).

248. Maak een beslissing op grond van de meerderheid, als er sprake is van een meningsverschil, tussen de leden van het Sanhedrin (Joodse Gerechtshof), over de rechtsuitspraak (Ex. 23:2) (positief).

249. Beslis geen grote zaken (waarbij de doodstraf wordt geŽist), op grond van de meerderheid waarbij er maar een meerderheid is van ťťn persoon (Ex. 23:2) (negatief).

250. Breng tijdens een grote zaak, als je eerst voor een vrijspraak pleitte, later geen argumenten in die voor veroordeling pleiten (Ex. 23:2) (negatief).

251. Behandel de partijen, in een proces, met gelijke onpartijdigheid (Lev. 19:15) (positief).

252. Doe geen rechtsuitspraak die onrechtvaardig is (Lev. 19:15) (CCN 69).

253. Trek belangrijke/invloedrijke mensen niet voor in een rechtszaak (Lev. 19:15) (CCN 70).

254. Neem geen steekpenningen aan (Ex. 23:8) (CCN 71).

255.  Wees niet bang voor slechte mensen in een rechtszaak (Deut. 1:17) (CCN 72).

256. Trek de arme, uit medelijden, niet voor bij een rechtszaak (Ex. 23:3; Lev. 19:15) (CCN 66).

257. Verdraai niet het recht van vreemdelingen (geeriem) of wezen (Deut. 24:17) (CCN 68).

258. Verdraai niet het recht van een wetsovertreder (Ex. 23:6) (CCN 67).

259. Spreek geen recht op grond van ťťn mening, maar op grond van bewijs aangedragen door minimaal twee ooggetuigen (Ex. 23:7) (negatief).

260. Voer geen oordeel uit bij een doodslager voordat hij terecht heeft gestaan in de rechtszaak (Num. 35:12) (negatief).

261. Aanvaard de uitspraken iedere Hoger Gerechtshof in IsraŽl (Deut. 17:11) (positief).

262. Rebelleer niet tegen de uitspraken van het Gerechtshof (Deut. 17:11) (CCN 158).


Letsels/Verwondingen en schade
 

263. Maak op het dak(terras) een borstwering/hek (Deut. 22:8) (CCA 75).

264. Laat niets onbeheerd achter waar iemand zich aan zou kunnen verwonden/bezeren (Deut. 22:8) (CCN 190).

265. Redt het leven van een aangevallene, ook als dit ten koste gaat van het leven van de aanvaller (Deut. 25:12) (positief).

266. Heb geen medelijden met de aanvaller/achtervolger, hij moet gedood worden voor hij de achtervolgde bereikt en dood of ontkleedt (Deut. 25:12) (negatief).


Eigendom en eigendomsrecht
 

267. Verkoop in IsraŽl nooit voorgoed (een stuk) land (Lev. 25:23) (negatief).

268. Verander de bestemming van een open land of veld (rond de steden) van de Levieten niet; Verkoop het niet voorgoed, zodat het altijd gelost kan worden (Lev. 25:34) (negatief).

269. Als iemand een huis in een ommuurde stad verkoopt, dan heeft hij tot een vol jaar na de verkoopdatum het recht om dat terug te kopen  (Lev. 25:29) (positief).

270. Verwijder geen grens(afscheidings)palen (de omheining van een stuk eigendom) (Deut. 19:14) (CCN 85).

271. Zweer niet vals bij het ontkennen van iemands eigendomsrecht (Lev. 19:11) (CCN 30).

272. Ontken niet onterecht iemands eigendomsrecht (Lev. 19:11) (CCN 36).

273. Vestig je nooit in Egypte (Deut. 17:16) (CCN 192).

274. Steel nooit iemands persoonlijke eigendommen (Lev. 19:11) (CCN 34).

275. Breng gestolen goederen terug naar de eigenaar (Lev.5:23) (CCA 68).

276. Breng verloren goederen terug naar de eigenaar (Deut. 22:1) (CCA 69).

277. Druk geen gevonden goederen achterover (Deut. 22:3) (CCN 182).


Wetten met betrekking tot criminaliteit
 

278. Doodt geen onschuldig persoon (Ex. 20:13) (CCN 32).

279. Je mag geen IsraŽliet kidnappen (Ex. 20:13) (CCN 33). Volgens de Talmud refereert dit vers naar het stelen van een persoon (samen met Lev. 19:11 wat over bezittingen gaat)

280. Je mag niet iemand met geweld beroven (Lev. 19:13) (CCN 35).

281. Je mag niet iemand bedriegen (Lev. 19:13) (CCN 37).

282. Je mag niet iets begeren wat van een ander is (Ex. 20:14) (CCN 40).

283. Heb geen lust naar wat van een ander is (Deut. 5:18) (CCN 41).

284. Geef niet toe aan slechte gedachten en beelden/blikken (Num. 15:39) (CCN 156).

 

Straffen en schadeloosstelling

 

285.  Het Gerechtshof zal de doodstraf, door onthoofding met een zwaard, laten uitvoeren . (Ex. 21:20; Lev. 26:25) (positief).

286.  Het Gerechtshof zal de doodstraf, door wurging, laten uitvoeren  (Lev. 20:10) (positief).

287.  Het Gerechtshof zal de doodstraf, door de brandstapel, laten uitvoeren (Lev. 20:14) (positief).

288.  Het Gerechtshof zal de doodstraf, door steniging, laten uitvoeren  (Deut. 22:24) (positief).

289. Het lichaam van de terechtgestelde dient in het openbaar aan (een) hout opgehangen te worden (Deut. 21:22) (positief).

290.  Het lichaam van de terechtgestelde mag īs nachts niet aan (het) hout blijven hangen (Deut. 21:23) (negatief).

291. Het lichaam van de terechtgestelde dient dezelfde dag nog worden te begraven (Deut. 21:23) (positief)

292.  Voor een moordenaar mag je geen losgeld aannemen (Num. 35:31) (negatief).

293.  Verban de persoon die een moord zonder opzet heeft gepleegd (Num. 35:25) (positief).

294.  Sticht /stel in 6 vrijsteden voor de personen die een moord zonder opzet hebben gepleegd (Deut. 19:3) (positief).

295.  Neem geen losgeld aan van de onopzettelijke moordenaar om hem van zijn verbanning te laten vrij komen (Num. 35:32) (negatief).

296. Breek de nek van de vaars zoals dat staat voorgeschreven (wanneer men iemand op het open veld vindt, die vermoord is door een onbekende dader (Deut. 21:4) (positief).

297. Bewerk en bezaai het veld, waar de nek van de vaars is gebroken, niet (Deut. 21:4) (negatief).

298. Een dief moet compensatie betalen of (in bepaalde gevallen) de doodstraf krijgen (Ex. 21:16; Ex. 21:37; Ex. 22:1) (positief).

299. Iemand die een lichamelijke letsel toebrengt, moet een geldelijke compensatie betalen (Ex. 21:18-19) (positief).

300. Leg de verleider (van een niet-verloofde maagd) een straf op van 50 shekel en voer de andere van toepassing zijnde bepalingen uit (Ex. 22:15-16) (positief).

301. De schender van de niet-verloofde maagd moet met haar trouwen (Deut. 22:28-29) (positief).

302. De persoon die een meisje verkracht en in overeenstemming met de wet met haar moet trouwen, mag nooit van haar scheiden (Deut. 22:29) (negatief).

303. Voer op de Shabbat geen straf uit (Ex. 35:3) (want sommige straffen moeten met vuur worden uitgevoerd) (negatief).

304. Straf de schuldigen met het toedienen van slagen (Deut. 25:2) (positief).

305. Overschrijd het aantal door de wet vastgestelde slagen niet. Bij alleen verdenking mag je niet slaan (Deut. 25:3) (CCN 43).

306. Spaar de overtreder, bij veroorzaken van schade, niet bij het uitvoeren van voorgeschreven straffen  (Deut. 19:13) (negatief).

307. Straf de valse getuige met dezelfde straf als hij met zijn valse getuigenis wilde veroorzaken bij de tegenpartij (Deut. 19:19) (positief).

308. Straf  de persoon die een overtreding onder dwang heeft begaan niet (Deut. 22:26) (negatief).

 

ProfetieŽn
 

309. Luister naar de woorden van een profeet in iedere generatie die niet afdoet of toevoegt aan wat in de Thora staat (Deut. 18:15) (positief).

310. Profeteer niet leugenachtig/vals (Deut. 18:20) (CCN 175).

311. Weerhoudt je niet om een valse profeet ter dood te brengen en wees niet bang van hem (Deut. 18:22) (negatief).

 

Afgoderij, afgodendienaars en afgodische praktijken
 

312. Maak geen (uitgesneden) afbeelding (van een afgod). Maak het zelf niet en laat het niet door een ander maken (Ex. 20:4) (CCN 9).

313. Maak geen (uitgesneden) afbeelding voor versiering, ook al wordt het niet aanbeden (Ex. 20:20) (CCN 144).

314.  Maak geen afgoden/afgodsbeelden, ook niet voor anderen (Ex. 34:17; Lev. 19:4) (CCN 10).

315. Gebruik/bezit geen versieringen of enige object wat bestemd is voor of afkomstig is van afgoderij (Deut. 7:25) (CCN 17).

316. Maak geen gebruik van een afgod of van bijbehorende objecten/versieringen, offeranden of plengoffers (Deut. 7:26) (CCN 18).

317.  Drink geen wijn van afgodendienaars (Deut. 32:38) (CCN 15).

318.  Aanbid geen afgod op de manier zoals het gewoonlijk aanbeden wordt (Ex. 20:5) (CCN 12).

319.  Buig je niet neer voor een afgod, ook niet als dat niet de gewoonlijke manier van aanbidding ervan is (Ex. 20:5) (CCN 11).

320.  Profeteer niet in de naam van een afgod (Ex. 23:13; Deut. 18:20) (CCN 27).

321.  Luister niet naar iemand die in de naam van een afgod profeteert (Deut. 13:4) (CCN 22).

322.  Breng de kinderen van IsraŽl niet op een dwaalspoor die tot afgoderij leidt (Ex. 23:13) (CCN 14).

323.  Verleidt geen IsraŽliet tot afgoderij (Deut. 13:12) (CCN 23).

324.  Vernietig afgoderij en alles wat er bij hoort (Deut. 12:2-3) (positief).

325.  Heb de aanzetter tot afgoderij niet lief (Deut. 13:9) (CCN 24).

326.  Blijf de aanzetter tot afgoderij haten (Deut. 13:9) (CCN 25).

327. Ontzie de aanzetter tot afgoderij niet van de doodstraf, maar zie toe op zijn executie (Deut. 13:9) (negatief).

328. Een persoon die hij probeerde tot afgoderij aan te zetten, mag niet pleiten voor vrijspraak van de aanzetter (Deut. 13:9) (CCN 26).

329. Een persoon die aangezet is tot afgoderij, mag geen bewijs van de schuld van de aanzetter achterhouden (Deut. 13:9) (negatief).

330. Zweer niet in de naam van een afgod tegenover zijn aanbidders en breng zijn aanbidders niet in een positie dat zij dat doen (Ex. 23:13) (CCN 13).

331.  Wek niet iemands interesse op voor afgoderij (Lev. 19:4) (CCN 16).

332. Neem geen inzettingen van afgodendienaars over, noch hun gewoonten (Lev. 18:3; Lev. 20:23) (CCN 21).

333.  Laat geen kinderen door het vuur van Molech gaan (Lev. 18:21) (negatief).

334.  Doe geen moeite om een praktiserende tovenares in leven te laten (Ex. 22:17) (negatief).

335. Doe niet aan waarzeggerij (onein) (door tijden goed of slecht te benoemen aan de hand van astrologie) (Lev. 19:26) (CCN 166).

336. Doe niet aan voorzeggingen (nachesh)  die gebaseerd zijn op tekenen en voortekenen door gebruik van talismannen en bezweringen (Lev. 19:26) (CCN 165).

337. Raadpleeg geen geesten (ovoth) (Lev. 19:31) (CCN 170).

338. Maak geen gebruik van tovenaars (yid'onim) (Lev. 19:31) (CCN 171).

339. Praktiseer geen magisch gebruik van kruiden, stenen en andere objecten die mensen gebruiken (kisuf) (Deut. 18:10) (CCN 168).

340. Praktiseer geen magische praktijken (kessem) (Deut. 18:10) (CCN 167).

341. Doe niet aan bezweren (van slangen en schorpioenen) (chover chaver) (Deut. 18:11) (CCN 169).

342. Ondervraag geen (waarzeggende)geest (ob) (Deut. 18:11) (CCN 172).

343. Zoek geen contact met doden (meetiem) (Deut. 18:11) (CCN 174).

344. Raadpleeg geen tovernaar (yidīoni) (Deut. 18:11) (CCN 173).

345. Verwijder je gehele baard niet, zoals de afgodendienaars dat doen(Lev. 19:27) (CCN 177).

346. Scheer de rand van je hoofdhaar niet rond af, zoals afgodische priesters dat doen (Lev. 19:27) (CCN 176).

347. Maak geen insnijdingen in je vlees als uiting van rouw zoals afgodendienaars dat doen (Lev. 19:28; Deut. 14:1) (CCN 28).

348. TatoeŽer je lichaam niet, zoals afgodendienaars dat doen (Lev. 19:28) (CCN 163).

349. Maak geen kale plek voor een dode (Deut. 14:1) (CCN 164).

350. Plant geen boom ter aanbidding (Deut. 16:21) (negatief).

351. Richt geen paal (pilaar) op voor aanbidding (Deut. 16:22) (CCN 162).

352. Bewijs afgodendienaars geen genade (Deut. 7:2) (CCN 20).

353. Sluit geen verbond met de 7 (Kanašnitische afgodische) volken (Ex. 23:32; Deut. 7:2) (negatief).

354. Er mogen geen afgodendienaars zich in ons land (Eretz IsraŽl) vestigen (Ex. 23:33) (negatief) (CCI 26).

355.  Dood de bewoners van een stad die afgodisch is geworden en verbrand deze stad (Deut. 13:16-17) (positief).

356. Herbouw een stad die afdwaalde tot afgoderij nooit (Deut. 13:17) (negatief).

357. Je mag geen gebruik maken van de bezittingen van de stad die afdwaalde tot afgoderij (Deut. 13:18) (negatief).

 

Landbouw en veeteelt
 

358. Kruis geen dieren van verschillende soorten met elkaar (volgens de Talmud geldt dit ook voor vogels) (Lev. 19:19) (CCN 142).

359. Bezaai een stuk land niet met verschillende zaden (Lev. 19:19) (CCN 107).

360. Eet na het planten van een fruitdragende boom de eerste 3 jaar niet van zijn vruchten (Lev. 19:23) (CCN 105).

361. In het vierde jaar na het planten van de fruitdragende boom zijn de vruchten heilig, zoals de 2e tienden, en moeten in Jeruzalem opgegeten worden (Lev. 19:24) (positief) (CCI 16).

362. Zaai geen graan of kruiden in een wijngaard (Deut. 22:9) (negatief).

363. Eet niet van andere gewassen, die gezaaid zijn in een wijngaard (Deut. 22:9) (negatief).

364. Laat onder ťťn juk nooit verschillende soorten dieren samenwerken (Deut. 22:10) (CCN 180).


Kleding
 

365. Een man mag geen vrouwenkleding dragen (Deut. 22:5) (CCN 179).

366. Een vrouw mag geen mannenkleding dragen (Deut. 22:5) (CCN 178).

367. Draag geen kleding die van wol en linnen tezamen gemaakt is (Deut. 22:11) (CCN 181).


Eerstgeborene
 

368. Je moet de eerstgeboren jongen vrij kopen (Pidyon ha-Ben) (Ex. 13:13; Ex. 34:20; Num. 18:15) (CCA 54).

369.  Koop de eerstgeborene van een ezel vrij (Ex. 13:13; Ex. 34:20) (CCA 55).

370. Breek de nek van de eerstgeborene van een ezel, als hij niet is vrijgekocht (Ex. 13:13; Ex. 34:20) (CCA 56).

371.  Koop de eerstgeborene van een rein dier niet vrij (Num. 18:17) (CCN 109).

 

Priesters (Cohaniem) en Levieten

 

372. De priesters moeten tijdens hun werk als priester priesterlijke kleding dragen (Ex. 28:2) (positief).

373. Je mag de mantel van de Hogepriester nooit verscheuren (Ex. 28:32) (negatief).

374. De priester mag niet op elk moment het Heiligdom binnengaan (bijv. op momenten dat hij geen dienst heeft) (Lev. 16:2) (negatief).

375. Een gewone priester mag zich niet verontreinigen door een lijk aan te raken anders dan van zijn naaste familieleden (Lev. 21:1-3) (CCN 141).

376. De gewone priesters mogen zichzelf verontreinigen aan hun overleden naaste familieleden door bij de begrafenis aanwezig te zijn en ze moeten net als de andere IsraŽlieten treuren om hun dode familieleden (Lev. 21:3) (CCA 59).

377. Als een priester zichzelf in het mikwe heeft ondergedompeld (om zich te reinigen van onreinheid) mag hij die dag tot na zonsondergang geen dienst doen in het Heiligdom (Lev. 21:6) (negatief).

378. Een priester mag niet met een vrouw trouwen die is gescheiden (Lev. 21:7) (CCN 140).

379. Een priester mag niet trouwen met een prostituee (Lev. 21:7) (CCN 138).

380. Een priester mag niet met een onteerde/ontwijde vrouw trouwen (Lev. 21:7) (CCN 139).

381. Betoon eer aan een priester en geef hem voorrang in alle zaken die heilig zijn (Lev. 21:8) (CCA 50).

382. De Hogepriester zal zichzelf niet verontreinigen door een lijk aan te raken, ook niet die van zijn naaste familieleden (Lev. 21:11) (negatief).

383. Een Hogepriester zal niet onder hetzelfde dak met een lijk verblijven (Lev. 21:11) Vanuit de traditie is geleerd dat de Hogepriester die dat doet het verbod ďen tot enig lijk van een gestorven persoon zal hij niet komenĒ en het verbod ďzal hij zich niet verontreinigenĒ overtreed (negatief).

384. Een Hogepriester zal met een maagd trouwen (Lev. 21:13) (positief).

385. Een Hogepriester zal geen weduwe trouwen (Lev. 21:14) (negatief).

386. Een Hogepriester mag niet samenleven/wonen met een weduwe, ook zonder huwelijksband omdat hij haar dan onteerd (Lev. 21:15) (negatief).

387. Iemand met een lichamelijk/fysiek gebrek zal niet (in het Heiligdom) dienen  (Lev. 21:17) (negatief).

388. Een priester met een tijdelijk gebrek zal er niet dienen (Lev. 21:21) (negatief).

389. Een persoon met een fysiek gebrek mag niet het Heiligdom in komen dan tot het altaar (Lev. 21:23) (negatief).

390. Een priester die onrein is mag niet in het Heiligdom dienen (Lev. 22:2-3) (negatief).

391. De onreine moet buiten de legerplaats (de plaats van Gods Shechina) gestuurd worden, dat is weg van het Heiligdom (Num. 5:2) (positief).

392. De priester die onrein is, mag de legerplaats niet betreden (dit verwijst naar de plaats waar de Shechina aanwezig is) (Num. 5:2-3)(negatief).

393. De priesters zullen IsraŽl zegenen (Num. 6:23) (CCA 58).

394. Set een gedeelte van het deeg voor de priester apart (Num. 15:20) (CCA 57).

395. De Levieten zullen geen werkzaamheden doen die voor de priesters bestemd zijn. De priesters zullen geen werkzaamheden doen die voor de Levieten bestemd zijn (Num. 18:3) (negatief).

396. Degenen die niet via de mannelijke lijn van Aharon afstammen, zullen niet dienen in het Heiligdom (Num. 18:4-7) (negatief).

397. De Levieten zullen dienen in het Heiligdom (Num. 18:23) (positief).

398. Geef de Levieten steden om in te wonen. Deze steden zullen ook dienen als vluchtstad/vrijstad (Num. 35:2) (positief).

399. Geen persoon uit de stam van Levi zal een deel van het land van IsraŽl ontvangen (Deut. 18:1) (negatief).

400. Een persoon uit de stam van Levi zal niet delen in buit (bij de verovering van het land IsraŽl) (Deut. 18:1) (negatief).

401. De priesters zullen het Heiligdom om beurten dienst doen, maar op de feesten zullen zij allemaal samen dienst doen (Deut. 18:6-8) (positief).

 

Teruma (offers), tienden en belastingen

 

402. Een onbesneden persoon mag niet eten van de offergaven (teruma), datzelfde is ook van toepassing op andere heilige zaken  (Ex. 12:44-45 and Lev. 22:10) (negatief).

403. Verander niets aan de volgorde van het apart zetten van offergaven (teruma) en tienden. Het apart zetten dient als volgt te gebeuren: Eerst de eerste oogst, dan de offergaven (teruma) en tenslotte de tweede tienden. (Ex. 22:28) (negatief) (CCI 19).

404. Geef een halve shekel per jaar (aan het Heiligdom ter voorziening van de publieke offeranden) (Ex. 30:13) (positief).

405. Een priester die onrein is mag niet van de offergaven (teruma) eten (Lev. 22:3-4) (negatief).

406. Iemand die geen priester is, als ook de vrouw en de ongetrouwde dochter van een priester mogen niet van de offergaven (teruma)  eten (Lev. 22:10) (negatief).

407. Bezoekers van de priester of zijn (ingehuurde) bedienden mogen niet van de offergaven (teruma)  eten (Lev. 22:10) (negatief).

408. Eet geen producten waar de offergaven en tienden nog niet van zijn afgezonderd (tevel) (Lev. 22:15) (negatief) (CCI 18).

409.  Zonder tienden af van je productie (een tiende van je productie na het apart zetten van de offergaven (teruma)) voor de Levieten (Lev. 27:30; Num. 18:24) (positief) (CCI 12).

410.  Geef tienden van je veestapel (Lev. 27:32) (positief).

411.  Je mag niets van je tienden verkopen (Lev. 27:32-33) (negatief).

412.  De Levieten moeten een tiende van de tienden, die zij van de IsraŽlieten hebben ontvangen, apart zetten en deze aan de priesters (kohaniem) geven (dat wordt genoemd de teruma van de tienden) (Num. 18:26) (positief) (CCI 13).

413.  Je mag van de 2e tienden van graanproducten niet buiten Jeruzalem eten (Deut. 12:17) (negatief).

414.  Je mag van de 2e tienden van de wijnoogst niet buiten Jeruzalem nuttigen (Deut. 12:17) (negatief).

415.  Je mag van de 2e tienden van de olie buiten Jeruzalem niet nuttigen (Deut. 12:17) (negatief).

416.  Vergeet de Levieten niet (niet aan hun lot overlaten) (Deut. 12:19); maar de giften (rechten) die hen toebehoren moeten hen gegeven worden zodat ze zich er op ieder feest mee kunnen verblijden (negatief).

417. Zet de 2e tienden apart in het 1e, 2e , 4e en 5e  jaar van de Shabbatsjaar-cyclus die door de eigenaar in Jeruzalem gegeten kan worden. (vandaag de dag wordt het wel apart gezet, maar niet in Jeruzalem gegeten) (Deut. 14:22) (positief) (CCI 14)

418.  Zet de 2e tienden apart in het 3e en 6e  jaar van de Shabbatsjaar-cyclus voor de armen (vandaag de dag wordt het wel apart gezet, maar het is niet meer verplicht om deze aan de armen te geven) (Deut. 14:28-29) (positief) (CCI 15).

419.  Geef de priester de verschuldigde delen van de karkassen van het geslachte vee (Deut. 18:3) (CCA 51) (volgens de Talmud is dat vandaag de dag buiten IsraŽl niet verplicht doch wel toegestaan, sommigen doen het ook daadwerkelijk.)

420. Geef het eerste van de vacht aan de priester (Deut. 18:4) (CCA 52). (volgens de Talmud is dat vandaag de dag buiten IsraŽl niet verplicht doch wel toegestaan, sommigen doen het ook daadwerkelijk.)

421.  Zet het Ďteruma gdolaí (het grote hef offer, dat is een klein deel van de oogst van je graan, wijn en olie apart voor de priester (Deut. 18:4) (positief) (CCI 11).

422.  Gebruik niets van je 2e tienden dan voor eten en drinken (Deut. 26:14) (negatief). Alles wat er buiten die categorie valt, wordt gekwalificeerd met het zinnetje ďgegeven aan de dodenĒ.

423.  Wanneer je in toestand van onreinheid bent, mag je niets van de 2e tienden eten, voordat deze tienden losgekocht zijn (Deut. 26:14) (negatief).

424.  Eet niet van de 2e tienden als je rouwt (Deut. 26:14) (negatief).

425.  Spreek een verklaring uit als je de 2e tienden naar het Heiligdom brengt (Deut. 26:13) (positief) (CCI 17). 

 

De Tempel, het Heiligdom en Heilige voorwerpen

 

426. Bouw geen altaren van (uit)gehouwen steen (Ex. 20:22) (negatief).

427. Beklim geen altaar met een trap (Ex. 20:23) (negatief).

428. Bouw het Heiligdom (Ex. 25:8) (positief).

429. Verwijder de (draag)stokken van de Ark niet (Ex. 25:15) (negatief).

430. Zet elke Shabbat de toonbroden en het wierook voor de Eeuwige (Ex. 25:30) (positief).

431. Steek lichten in het Heiligdom aan (Ex. 27:21) (positief).

432. De borstplaat mag niet van de efod los gemaakt worden (Ex. 28:28) (negatief).

433. Offer reukwerk twee keer per dag (Ex. 30:7) (positief).

434. Offer geen vreemd reukwerk of offerandes op het gouden altaar (Ex. 30:9) (negatief).

435. De priester moet zijn handen en voeten wassen als hij dienst gaat doen (Ex. 30:19) (positief).

436. Bereid zalfolie en zalf daarmee de Hogepriesters en koningen Ex. 30:31) (positief)

437. Bereid geen olie voor gewoon gebruik  met dezelfde formule (Ex. 30:32-33) (CCN 145).

438. Zalf geen vreemde met deze zalfolie (Ex. 30:32) (negatief).

439. Stel niet iets samen met dezelfde samenstelling als het reukwerk (Ex. 30:37) (CCN 146).

440. Degene, die foutief, onwettig gebruik maakt van heilige zaken, zal de waarde van het gebruikte moeten vergoeden vermeerderd met 1/5 van de waarde (Lev. 5:16) (positief).

441. Verwijder de as van het altaar (Lev. 6:3) (positief).

442. Het vuur op het altaar van het brandoffer moet altijd branden (Lev. 6:6) (positief).

443. Je moet het vuur op het brandofferaltaar altijd brandend houden (Lev. 6:6) (negatief).

444. De priester(kohen) mag het Heiligdom niet met los/slordig haar betreden (Lev. 10:6) (negatief).

445. De priester(kohen) mag het Heiligdom niet met gescheurde kleding betreden (Lev. 10:6) (negatief).

446. De priester(kohen) mag het Heiligdom tijdens de dienst niet verlaten (Lev. 10:7) (negatief).

447. Een bedwelmd persoon(dronken) mag het Heiligdom niet betreden en ook geen beslissingen nemen in wetszaken (Lev. 10:9-11) (negatief).

448. Heb eerbied voor het Heiligdom (Lev. 19:30) (dit geldt vandaag de dag voor de synagogen) (CCA 18).

449. Als de Ark gedragen moet worden, moet hij op de schouders gedragen worden (Num. 7:9) (positief).

450. Onderhoudt de 2e Pesach (Num. 9:11) (positief).

451. Je moet op de 2e Pesach het vlees van het Pesachlam met ongezuurde broden (matzes) en bittere kruiden eten (Num. 9:11) (positief).

452.  Laat geen vlees van het Pesachlam op de 2e Pesach  tot de morgen over (Num. 9:12) (negatief).

453.  Breek geen bot van het Pesachlam op de 2e Pesach  (Num. 9:12) (negatief).

454.  Blaas de trompetten bij het brengen van offeranden in tijden van nood (Num. 10:9-10) (positief).

455.  Houdt voortdurend de wacht over het gebouw (Num. 18:2) (positief).

456.  Laat het Heiligdom niet onbewaakt (Num. 18:5) (negatief).

457. Een offerande (asham/schuldoffer) moet gebracht worden door degene die een overtreding heeft begaan met betrekking tot heilige dingen of iets geroofd heeft, of gemeenschap heeft gehad met een ondertrouwde huurlinge of vals ontkent dat iets bij hem gedeponeerd is waarbij hij valselijk heeft gezworen dat het bij hem niet gedeponeerd is. Dit heet een schuldoffer voor een bewuste overtreding (positief).

458. Je mag niet iets vernietigen van het Heiligdom, synagogen of leerhuizen. Wis/verwijder nooit de heilige namen (van Gíd). Ook heilige geschriften mogen niet vernietigd worden (Deut. 12:2-4) (CCN 157).

 

Offerandes en offers

 

459. Zet de eerstelingen van de reine dieren apart en offer ze (Ex. 13:2; Deut. 15:19) Op dit moment worden ze niet geofferd (CCA 53).

460. Slacht het Pesachlam (Ex. 12:6) (positief).

461. Eet het vlees van het Pesach offer op de avond van de 15e Nissan (Ex. 12:8) (positief).

462. Eet het vlees van het Pesachlam niet rauw gekookt (Ex. 12:9) (negatief).

463. Laat niets van het vlees van het Pesachlam tot de volgende morgen liggen (Ex. 12:10) (negatief).

464. Geef geen vlees van het Pesachlam aan een IsraŽliet die afvallig is geworden(Ex. 12:43) (negatief).

465. Geef het vlees van het Pesachlam niet aan een vreemdeling (goy) die onder jullie woont (Ex. 12:45) (negatief).

466. Eet geen vlees van een Pesachlam van een andere plaats waar ook het Pesach wordt gevierd (Ex. 12:46) (negatief).

467. Breek geen van de botten van het Pesachlam (Ex. 12:46) (negatief).

468. Een man die niet besneden is mag niet van het Pesachlam eten (Ex. 12:48) (negatief).

469. Je mag het Pesachlam niet slachten als er nog gist (chamets) in het huis is. (Ex. 23:18; Ex. 34:25) (negatief).

470. Laat nooit een deel van het Pesachlam, wat op het altaar verbrand zou moeten worden, tot de volgende dag liggen, wat het ongeschikt zou maken om nog verbrand (geofferd) te worden. (Ex. 23:18; Ex. 34:25) (negatief).

471. Trek niet op naar het Heiligdom om een van de feesten te vieren zonder een offerande mee te brengen (Ex. 23:15) (negatief).

472.  Breng de eerstelingen (de vruchten van de 1e oogst) naar het Heiligdom (Ex. 23:19) (positief).

473.  Het vlees van een schuld- en zondoffer dient gegeten te worden (Ex. 29:33) (positief).

474.  Iemand die geen nakomeling van Aharon is, mag niet van het vlees van de heilige offeranden eten (Ex. 29:33) (negatief).

475.  Onderhoudt de instructies van het brandoffer (Olah) (Lev. 1:3) (positief).

476.  Onderhoudt de instructies van het meeloffer (Lev. 2:1) (positief).

477.  Offer geen honing of gist/zuurdeeg met gist (Lev. 2:11) (negatief).

478.  Iedere offerande dient gezouten te worden (Lev. 2:13) (positief).

479.  Offer niet iets wat ongezouten is (Lev. 2:13) (negatief).

480.  Een Gerechtshof zal een offerande offeren als ze zich hebben vergist bij een juridische uitspraak (Lev. 4:13) (positief).

481. Een persoon zal, als hij gezondigd heeft door het begaan van een onbewuste overtreding (waarvoor hij bij het bewust doen ervan met uitroeiing uit zijn volk gestraft zou worden), een zondoffer (chatat) brengen (Lev. 4:27-28) (positief).

482.  De grootte van de te offeren offerande mag naar draagkracht gekozen worden (Lev. 5:7) (positief).

483.  Van het gevogelte dat als zondoffer wordt gebracht mag je het kopje niet volledig van het rompje scheiden (Lev. 5:8) (negatief).

484.  Voeg geen olijfolie toe aan een zondoffer van meel (Lev. 5:11) (negatief). 

485.  Voeg geen wierook toe aan een ondoffer van meel (Lev. 5:11) (negatief).

486.  Een persoon die twijfelt of hij een zonde begaan heeft waar hij een zondoffer voor moet brengen dient  een schuldoffer (asham) te brengen (Lev. 5:17-19) (positief).

487.  Het restant van het meeloffer dient opgegeten te worden (Lev. 6:9) (positief).

488.  Zorg ervoor dat het restant van het meeloffer niet gist/gegist wordt (Lev. 6:10) (negatief).

489.  De Hogepriester dient dagelijks een meeloffer te offeren (Lev. 6:13) (positief).

490.  Eet niet van een meeloffer dat door de priesters wordt/is gebracht (Lev. 6:16) (negatief). 

491.  Onderhoudt de instructies van het zondoffer (Lev. 6:18) (positief).

492. Eet geen vlees van de zondofferanden, waarvan het bloed in het Heiligdom is gebracht en is gesprenkeld naar het Voorhangsel (Lev. 6:23) (negatief).

493.  Onderhoudt de instructies van het schuldoffer (asham) (Lev. 7:1) (positief).

494.  Onderhoudt de instructies van het vredeoffer (zebach shīlamim) (Lev. 7:11) (positief).

495.  Verbrand het vlees dat van een heilig offer is overgebleven (Lev. 7:17) (positief).

496.  Eet niet van offeranden waarvan buiten de vastgestelde tijd is gegeten (Lev. 7:18). De straf daarop is uitroeiing uit het volk (negatief).

497.  Eet niet van heilige dingen die onrein zijn geworden (Lev. 7:19) (negatief).

498.  Verbrand het vlees van de heilige offerande, dat onrein is geworden (Lev. 7:19) (positief).

499.  Een persoon die in staat van onreinheid is mag niet van heilige dingen eten (Lev. 7:20) (negatief).

500.  De dochter van een priester, die haarzelf ontheiligd heeft, zal niet eten van de heilige dingen, niet  van het hef offer, noch van de borst, noch de schouder van vrede-offeranden (Lev. 10:14, Lev. 22:12) (negatief).

501. Een vrouw mag na een bevalling pas offeren als zij weer in staat van reinheid is (Lev. 12:6) (positief).

502.  Een lepralijder ((lijder aan tsaraíat) zal een offer brengen als hij/zij rein geworden is (Lev. 14:10) (positief).

503.  Een man die aan een vloeiing lijdt, zal een offerande brengen als hij na zijn vloeiing weer rein is (Lev. 15:13-15) (positief).

504.  Een vrouw die aan een vloeiing lijdt, zal een offerande brengen wanneer zij na haar vloeiing weer rein is (Lev. 15:28-30) (positief).

505. Onderhoudt de instructies van Yom Kippur (Grote Verzoendag), betreffende de dienst op die dag, betreffende de offerande, betreffende de belijdenissen, betreffende het wegzenden van een geitenbok etc. (Lev. 16:3-34) (positief).

506.  Slacht geen dieren, die als offerande zijn apart gezet, buiten het Heiligdom (Lev. 17:3-4) (negatief).

507.  Eet niet van het vlees van een offerande van wat over gebleven is (buiten de daarvoor vastgestelde tijd). (Lev. 19:8) (negatief).

508.  Heilig geen gebrekkige dieren als offerande (Lev. 22:20). Deze tekst verbiedt dat zulke dieren voor offerande apart gezet worden. (negatief).

509.  Elk dier dat geofferd wordt moet zonder gebrek zijn (Lev. 22:21) (positief).

510.  Beschadig geen (veroorzaak geen gebrek aan) vee wat apart gezet is voor offerande (Lev. 22:21)  (negatief).

511.  Slacht geen gebrekkige dieren ter offerande (Lev. 22:22) (negatief).

512.  Verbrand geen ledematen van vee met een gebrek op het altaar (Lev. 22:22) (negatief).

513.  Sprenkel geen bloed van vee met een gebrek op het altaar (Lev. 22:24) (negatief).

514.  Offer geen gebrekkige vee op het altaar dat van goyiem (niet-IsraŽlieten) afkomstig is (Lev. 22:25) (negatief).

515.  Vee mag pas geofferd worden als de dieren minimaal acht dagen oud zijn (Lev. 22:27) (positief).

516.  Laat geen vlees van het dankoffer tot de volgende morgen liggen (Lev. 22:30) (negatief).

517.  Offer het Omer-meeloffer op de morgen na de eerste dag van Pesach tezamen met een lam (Lev. 23:10) (positief).

518.  Eet geen brood gemaakt van het nieuwe graan vůůrdat de Omer van gerst is geofferd op de tweede dag van Pesach (Lev. 23:14) (CCN 101).

519.  Eet geen geroosterd koren van het nieuwe graan vůůrdat de Omer van gerst is geofferd op de tweede dag van Pesach (Lev. 23:14) (CCN 102).

520.  Eet geen verse graankorrels van het nieuwe graan vůůrdat de Omer van gerst is geofferd op de tweede dag van Pesach (Lev. 23:14) (CCN 103).

521.  Breng op Shavuot broden met de bijbehorende offeranden die dan gelijktijdig (in die zin van gezamelijk offer) met de broden geofferd worden (Lev. 23:17-20) (positief).

522.  Offer een extra offer met Pesach (Lev. 23:36) (positief).

523.  Iemand die een gelofte doet voor de Eeuwige, bestaande in de vastgestelde waarde van personen, ter ere van de Eeuwige, moet geld naar waarde, die betreffende gedeelte in de Thora opgetekend staat, betalen (Lev. 27:2-8) (positief).

524.  Als een offerdier verwisseld wordt voor een ander dier, moeten beide dieren apart gezet worden voor de Eeuwige (Lev. 27:10) (positief).

525.  Verwissel geen dier, dat apart gezet is voor offerande, voor een ander dier (Lev. 27:10) (negatief).

526. Iemand die een gelofte doet voor de Eeuwige, bestaande in de vastgestelde waarde van een dier dat onrein is, zal hij de waarde van dat dier betalen (Lev. 27:11-13) (positief).

527.  Als iemand zijn huis als iets heiligs ter ere van de Eeuwige wijdt, zal hij een bedrag betalen dat door de priester wordt vastgesteld (Lev. 27:11-14) (positief).

528.  Wanneer iemand een deel van zijn grondbezit als iets heiligs ter ere van de Eeuwige wijdt, zal hij naar schatting het bedrag, wat in het betreffende gedeelte van de Thora staat voorgeschreven, betalen. (Lev. 27:16-24) (positief).

529.  Offer geen dier, wat voor een bepaald soort offer is apart gezet, voor een ander soort offer (Lev. 27:26) (negatief).

530.  Beslis met betrekking tot toegewijd bezit wat heilig is voor de Eeuwige en wat de priester toekomt. (Lev. 27:28) (positief).

531.  Verkoop geen stuk land wat aan de Eeuwige gewijd is (Lev. 27:28) (negatief).

532.  Los geen stuk land wat aan de Eeuwige gewijd is (Lev. 27:28) (negatief).

533. Belijdt tegenover de Eeuwige iedere zonde die je gepleegd hebt, op het moment dat je een offer brengt en op andere momenten(Num. 5:6-7) (CCA 33).

534. Als een vrouw van overspel verdacht wordt, mag er aan het meeloffer geen olie toegevoegd worden (Num. 5:15) (negatief).

535. Voeg er ook geen wierook aan toe (Num. 5:15) (negatief).

536. Breng de dagelijkse offers (twee lammetjes als brandoffer) (Num. 28:3) (positief).

537. Breng iedere Shabbat een extra offer van twee lammetjes (Num. 28:9) (positief).

538. Offer een extra offer met nieuwe maan(Maand) (Num. 28:11) (positief).

539. Breng een extra offer met Shavuot (Num. 28:26-27) (positief).

540. Offer een extra offer op Rosh Hashana (Num. 29:1-6) (positief).

541. Offer een extra offer op Yom Kippur (Num. 29:7-8) (positief).

542. Offer een extra offer met Sukkot (Num. 29:12-34) (positief).

543. Offer een aanvullende offer op Shemini Atzeret (wat een op zichzelf staand feest is) (Num. 29:35-38) (positief).

544. Breng op het eerste feest, nadat zij werden ingesteld, alle offers, vrijwillig of verplicht (Deut. 12:5-6) (positief).

545. Offer geen offerandes buiten het Heiligdom (Deut. 12:13) (negatief).

546. Offer alle offers in het Heiligdom (Deut. 12:14) (positief).

547. Je mag, voor offerande apart gezet, vee loskopen als het dier gebreken blijkt te hebben waardoor het niet geofferd mag worden. Daarna mag het door ieder gegeten worden. (Deut. 12:15) (positief).

548. De eersteling, zonder gebrek, mag niet buiten Jeruzalem gegeten worden (Deut. 12:17) (negatief)

549. Je zal het vlees van het brandoffer niet eten (Deut. 12:17). Dit verbod geldt voor iedere overtreder om niet te genieten van iets van de heilige zaken. Als hij dat toch doet, begaat hij een overtreding (negatief).

550. De priesters mogen niet eten van het vlees van het zond- of schuldoffer buiten het plein van het Heiligdom (Deut. 12:17) (negatief).

551. Eet geen vlees van offeranden, die in mindere mate heilig zijn, voordat het bloed op het altaar is gesprengd (Deut. 12:17) (negatief).

552. De priester mag niet van het eerstelingen eten voordat deze gebracht zijn op het plein van het Heiligdom (Deut. 12:17 en 18) (negatief).

553. Neem de moeite om de offeranden van buiten het land van IsraŽl naar het Heiligdom te brengen (Deut. 12:26) (positief).

554. Wanneer dieren, die apart gezet zijn om te offeren, met opzet gebrekkig zijn gemaakt, mag men niet van dat vlees eten (Deut. 14:3) (negatief).

555. Je mag niet werken met vee wat voor offerande is apart gezet (Deut. 15:19) (negatief).

556. Je mag de dieren, die voor offerande zijn apart gezet, niet scheren (Deut. 15:19) (negatief).

557. Je mag geen deel van het feestoffer, dat gebracht is op de 14e Nissan, achterlaten tot de 3e dag (Deut. 16:4) (negatief).

558.  Offer geen dier met een tijdelijk gebrek (Deut. 17:1) (negatief).

559. Breng geen geldelijk offer dat verdiend is met prostitutie door vrouwen of mannen (Deut. 23:19) (negatief).

560. Lees, bij het brengen van de eerstelingen, de voorgeschreven verklaring voor van Deut. 26:5-10 (positief).

 

Reinheid en onreinheid

 

561.  Acht soorten van kruipende dieren brengen je, door contact, in staat van onreinheid (wezel, muis, hagedis (of boomkikker / kameleon), egel, koach/waraan, salamander (volgens Rashi slak), blindslang en mol) (Lev. 11:29-30) (positief).

562.  Voedsel wordt verontreinigd als het in contact komt met onreine dingen. (Lev. 11:34) (positief).

563. Iemand die het karkas van een dier aanraakt, wat uit zichzelf is gestorven, komt in staat van onreinheid (Lev. 11:39) (positief).

564.  Een vrouw op haar kraambed is in dezelfde staat van onreinheid als een menstruerende vrouw (Lev. 12:2-5) (positief).

565.  Een lijder aan lepra (tsaraíat)  is in staat van onreinheid en verontreinigt (Lev. 13:2-46) (positief).

566. Een lepralijder (lijder aan tsaraíat) dient door middel van (volgens de voorschriften) universele herkenningstekens herkenbaar te zijn. Ook alle andere mensen in staat van onreinheid dienen dit aan te geven (Lev. 13:45) (positief).

567.  Een kledingstuk van de lepralijder (lijder aan tsaraíat) is in staat van onreinheid en het verontreinigt (Lev. 13:47-49) (positief).

568.  Het huis van een lepralijder (lijder aan tsaraíat) verontreinigt (Lev. 14:34-46) (positief).

569.  Een man met een vloeiing verontreinigt (Lev. 15:1-15) (positief).

570.  Teelvocht van een man verontreinigt (Lev. 15:16) (positief).

571.  Reiniging van alle verontreinigingen gebeurt door onderdompeling in het water van een ritueel bad (mikwe) (Lev. 15:16) (positief).

572.  Een menstruerende vrouw is in staat van onreinheid en verontreinigt anderen (Lev. 15:19-24) (positief).

573.  Een vrouw, die vloeiingen heeft, verontreinigt (Lev. 15:25-27) (positief).

574. Voer de inzettingen met betrekking tot de rode vaars uit, zodat de as ervan altijd aanwezig is (Num. 19:9) (positief).

575.  Een lijk verontreinigt (Num. 19:11-16) (positief).

576. Het reinigings(sprenkel) water brengt de reine in staat van onreinheid en reinigt de onreine van verontreiniging door een dood lichaam (Num. 19:19-22) (positief).

 

Lepra en lepralijders
 

577. Verwijder het haar van de plek niet (Lev. 13:33) (negatief).

578. Het reinigen van een melaatse, (lijder aan tsaraíat) (het maakt niet uit of het nu een mens is of een huis), vindt plaats door cederhout, hyssop, scharlaken draad, twee vogels en levend stromend water (Lev. 14:1-7) (positief).

579. De melaatse (lijder aan tsaraíat) zal al zijn haar afscheren (Lev. 14:9) (positief).

580. Je mag de verschijnselen van de tsaraíat niet operatief verwijderen (Deut. 24:8) (negatief).


De koning
 

581.  Vervloek en verwens geen leider van het volk, dat is de koning of het hoofd van de regering van het land van IsraŽl (Ex. 22:27) (negatief).

582.  Stel een koning aan (Deut. 17:15) (positief).

583.  Je mag niet een niet-IsraŽliet (goy) als koning aanstellen (Deut. 17:15) (negatief).

584. De koning mag niet  een overdreven hoeveelheid paarden aanschaffen/hebben (Deut. 17:16) (negatief).

585.  De koning mag niet een overdreven hoeveelheid vrouwen nemen (Deut. 17:17) (negatief).

586.  De koning mag niet een overdreven hoeveelheid goud of zilver verkrijgen/verzamelen (Deut. 17:17) (negatief).

587. De koning zal een rol van de Thora voor zichzelf schrijven naast het exemplaar dat ieder al voor zichzelf moet schrijven. Hij moet er dus twee schrijven (Deut. 17:18) (positief).


NazireeŽrs

 

588.  Een NazireeŽr mag geen wijn drinken, noch iets wat met wijn gemengd is en naar wijn smaakt en ook als de wijn of de mix zuur geworden, is het voor de NazireeŽr verboden (Num. 6:3) (negatief).

589.  Hij mag geen verse druiven eten (Num. 6:3) (negatief).

590.  Hij mag geen gedroogde druiven (rozijnen/krenten) eten (Num. 6:3) (negatief).

591.  Hij mag niet van de pitten van druiven eten (Num. 6:4) (negatief).

592.  Hij mag de schil van een druif niet eten (Num. 6:4) (negatief).

593.  Een NazireeŽr is het toegestaan zijn haar te laten groeien (Num. 6:5) (positief).

594.  Een NazireeŽr mag zijn haar niet af (laten) knippen (Num. 6:5) (negatief).

595. Hij mag niet in een afgedekte ruimte (gebouw) komen waar een lijk aanwezig is (Num. 6:6) (negatief).

596. Een NazireeŽr mag zichzelf niet in staat van onreinheid brengen door een overleden persoon (bij een lijk aanwezig zijn) (Num. 6:7) (negatief).

597. Een NazireeŽr zal zijn haar afknippen/scheren wanneer hij zijn offers breng bij de afronding (het beŽindigen) van de periode van zijn NazireeŽrschap of als hij in staat van onreinheid is gekomen (Num. 6:9) (positief).


Oorlogen

 

598.  Degene die in oorlog verwikkeld is, moet niet bang zijn voor zijn vijanden of in paniek raken tijdens het de strijd (Deut. 3:22, 7:21, 20:3) (negatief).

599.  Zalf een speciale priester (om) bij een oorlog (de soldaten toe te spreken) (Deut. 20:2) (positief).

600.  In een toegestane oorlog (die zich onderscheidt van een gedwongen oorlog), moeten de instructies / procedures, die in de Thora beschreven staan, waargenomen worden (Deut. 20:10) (positief).

601.  Laat geen individu van de 7 Kanašnitische volken (De Chittieten, de Emorieten, de Kanašnieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jeboesieten) in leven (Deut. 20:16) (negatief).

602.  Roei de 7 Kanašnitische volken, vanuit het land van IsraŽl, uit (Deut. 20:17) (positief).

603.  Je mag geen vruchtdragende bomen vernietigen. Het mag niet in oorlogstijd en het mag ook niet door onnadenkendheid (Deut. 20:19-20) (CCN 191).

604.  Behandel een vrouw, die je gevangen hebt genomen en mooi vindt, volgens de voorschriften van de Thora (Deut. 21:10-14) (positief).

605.  Verkoop deze vrouw niet (die je gevangen hebt genomen en mooi vindt) (Deut. 21:14) (negatief).

606.  Verlaag deze vrouw (die je gevangen hebt genomen en mooi vindt) niet tot het niveau van slavin (Deut. 21:14) (negatief).

607.  Sluit geen (vredes)verbond met de Ammonieten en de Moabieten als je een oorlog tegen hen voorbereid, zoals je dat wel dient te doen bij een oorlog tegen andere volken (Deut. 23:7) (negatief).

608.  Iemand die in staat van onreinheid is, mag het kamp van de Levieten niet betreden (Deut. 23:11) (CCN 193) (Volgens de Talmud wordt daar in de huidige situatie de Tempelberg mee bedoeld).

609.  Zorg voor een plaats, buiten het kamp, voor sanitaire doeleinden (Deut. 23:13) (positief).

610.  Houdt die plek sanitair schoon (Deut. 23:14-15) (positief).

611.  Herinner je altijd wat Amalek gedaan heeft (Deut. 25:17) (CCA 76).

612.  Het kwaad dat Amalek ons heeft aangedaan, mag niet vergeten worden (Deut. 25:19) (CCN 194).

613.  Vernietig het zaad, de nakomelingen, van Amalek (Deut. 25:19) (CCA 77).

 

De instructies van de Thora gelden voor eeuwig. Deut. 4:40 Onderhoud dan zijn inzettingen en zijn geboden, die ik u heden opleg, opdat het u en uw kinderen na u wel ga en opdat gij lang leeft in het land, dat de Eeuwige, uw God, u geven zal voor altijd.

 

 

Als je een exemplaar van de Mishneh Torah van de Rambam in het Engels per email wil ontvangen, stuur ons dan even een e-mail.

 

 

 

Daily Halacha verzorgd door Yeshiva.org.il

(dagelijkse behandeling van halachische vragen die voorgelegd worden aan

de rabbijnen van Yeshiva.org.il)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bronnen:

Mishne Thora van Maimonides, deel 14

http://www.jewfaq.org/613.htm

http://ohr.edu/yhiy/article.php/974

To be a Jew, geschreven door Rabbijn Chaim HaLevy Donin

Torat Eretz Yisrael, The Teachings of HaRav Yehuda HaCohen Kook,

geschreven door HaRav David Samson

Understanding Judaism, geschreven door Rabbi Mordechai Katz

 

De 613 Mitswot in het engels:

http://www.jewfaq.org/613.htm

http://ohr.edu/yhiy/article.php/974  

 

 

 

Een goed boek in het engels over de Mitswot is: To be a Jew, geschreven door Rabbijn Donin. Voor degenen die problemen met engels hebben kunnen per mail een nederlandstalig uittreksel ban het boek ontvangen als zij het boek hebben gekocht. Laat het even weten als je behoefte hebt aan zo'n uittreksel.

 

Start ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013