Emuna en Bitachon, Geloof
en Vertrouwen vanuit Joods perspectief
Emuna, dat is geloof (spreek uit Emoena), vanuit Joods perspectief,
is het fundament waar heel de Thora
(en dus ook Tenach) op rust
zo staat er in de Talmoed (Makot 23b-24a)
geschreven
en is dus ook het fundament van het Joodse
denken en ook van het Joodse volk.
Emuna is
het geloven van de Eeuwige, de Schepper en onderhouder van alles en het is de
Eeuwige op Zijn Woord geloven. Bitachon is het vertrouwen dat ons heden en onze toekomst in
Gods hand is, dat alles dus onder Zijn controle is en dat er geen macht is
dan Hem. In Alles. Het is geloven dat Hij een goede God is, die iedereen voorziet en
dat Hij alle dingen doet ten goede en met alles een specifiek doel heeft.
Iemand kan geloven zonder te vertrouwen op God, dus Emuna hebben zonder
Bitachon. Het is echter onmogelijk Bitachon (in God) te hebben zonder Emuna.
Emuna en Bitachon worden opgebouwd aan de hand van wezenlijke, feitelijke ervaringen waarin de mens
aantoonbaar ziet en ervaart dat God goed is. Het is geen ongrijpbaar begrip
gebaseerd op ongrijpbare gedachten of feiten die niet aantoonbaar zijn. Om
een voorbeeld te geven. God zegt tegen Israel. Ik ben jullie God die jullie
uit Egypte heeft gehaald als Hij vraagt dat ze in Hem zullen geloven en Hem
te gehoorzamen (Deut 11:1-25) en niet Ik ben de God die de hemel en aarde
heeft gemaakt. Dat is voor het Joodse volk op dat moment iets ongrijpbaars terwijl
het uitleiden uit Egypte iets is wat ze zelf hebben ondervonden. Dat is een
duidelijk referentiekader voor hen. Als God hen verwijt dat ze geen
vertrouwen in Hem hebben is dat op het moment nadat ze vele tekenen en
bewijzen hebben gezien dat God te vertrouwen is en dat Hij voor hen zorgt. Num
14:11 “En de Eeuwige zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden,
en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in
zijn midden gedaan heb?” Tussen haakjes, door het gebrek aan vertrouwen bij
deze 10 leiders van het volk konden ze de schoonheid van het land niet zien.
Ook Avraham
werd dat geloof aan de hand van opgedane ervaringen opgebouwd. Als Avraham
een test kreeg in z'n geloof had hij al gezien dat God inderdaad in een
vorige gelegenheid betrouwbaar was gebleken. Ook David die in zijn psalmen
oproept om op HaShem te vertrouwen had persoonlijk de ervaring dat HaShem
hem had geholpen waarin HaShem had laten zijn dat hij op Hem kon vertrouwen.
Rabbijn Nachman schrijft n.a.v. Makkot 24a, wat
verwijst naar Habakuk 2:4, dat alle voorschriften van de Thora gebaseerd zijn op
een
principe: De Rechtvaardige zal leven door zijn
Emuna. Ook
Rabbijn Meir Kahane schrijft in zijn boek 'The Jewish Idea'
hetzefde. Met de woorden in Habakuk 2:4 verwijst de profeet Habakuk naar de
woorden in Genesis 15:6, de woorden die de Eeuwige tot Avram sprak “En hij
geloofde in de Eeuwige, en Hij rekende het hem toe als deugd
(gerechtigheid).” Avram
(later Avraham) is de stamvader van het volk Israel. Door zijn verdienste
zal de Eeuwige zijn beloften waarmaken om het volk Israel tot hun God te
zijn het land Israel als eeuwige erfenis te geven aan het volk Israël.
Zonder Emuna en Bitachon is het namelijk onmogelijk de
Eeuwige te kennen. Het kennen wat hier bedoeld wordt is niet het kennen van iemand op een wetenschappelijke manier door het bestuderen van
iemand van uitgeschriften zonder noodzakelijkerwijs contact met hem of haar te
hebben. Met betrekking tot het kennen van de Eeuwige, wordt er hier niet bedoeld het wetenschappelijk kennen van God
door het bestuderen van de Thora, Talmud en de andere geschriften. Het
kennen wat hier bedoeld wordt is het kennen als het kennen van een vriend
door persoonlijk wederzijds contact. In het boek Hosea 2:22 staat "Ik zal
je aan Mij verbinden door geloof; en je zal de Eeuwige kennen".
Daaruit kunnen we leren, zo zegt Rabbijn Nachman (uit Breslow), dat ‘De
enige manier om God te kennen is door Emuna’.
De grondregel van de Thora, zoals dat al op de
pagina Joods Denken wordt genoemd, staat verwoord in Psalm 16:8 "Steeds
houd ik de Eeuwige voor ogen". Zonder het hebben van Emuna is het
onmogelijk de Eeuwige ‘steeds voor ogen te houden’.
Waarom
werd Avram uitgekozen om stamvader te zijn van Gods ‘uitverkoren’ volk
Wat was de
verdienste van Avraham. Wat maakte hem tot stamvader van het volk Israël als
uitverkoren volk van de Eeuwige. Wat was het dat de Eeuwige Hem uitkoos om
door hem en zijn nakomelingen Zijn Naam bekend te laten maken over heel de
aarde? Het was niet de acceptatie van de instructies in de Thora. Die had
hij niet uit de Hemel gekregen zoals het volk Israël bij de berg Sinaï. Dat
was het dus niet wat hem tot stamvader maakte, Evenmin trouwens Yitschak en
Ya’akov en al de zonen van Ya’akov. Wat was het dan wel. Het was omdat dat
hij Emuna had in de Eeuwige. Nadrukkelijk wordt het vermeld in Genesis 15:6
dat de Eeuwige zijn geloof hem toerekende als deugd, als rechtvaardige daad.
Rashi zegt bij dit vers ‘De Heilige, geloofd zij hij, rekende het Avram aan
als verdienste en als deugd wegens het vertrouwen dat Hij in Hem had
gesteld’. Hij had geloof in God en God rekende het hem toe als een deugd zo
staat er. Chazal (dat is een verzamelwoord voor de Joodse wijzen) zegt dat
Avram’s geloof zo groot was dat hij geloofde dat God Zijn belofte zou
vervullen zelfs al zou hij het niet verdienen. Hij geloofde dat God het zou
vervullen als een ‘daad van genade en liefdadigheid’. Avram’s verdienste was
dus zijn Emoena. Zijn Emoena maakte hem de stamvader van het volk Israel Isa
41:8 Maar gij, Israel, mijn knecht, Ya’akov , die Ik verkoren heb, nakroost
van mijn vriend Avraham, Het volk Israël is daarmee een volk dat in zijn
relatie met God leeft door geloof..
Nadat
Avram tot de ‘ontdekking’ was gekomen dat de Eeuwige de enige echte God was,
begon hij Zijn Naam bekend te maken in Zijn omgeving, begon hij zijn geloof
in de Eeuwige uit te dragen. Op vele manieren deed hij dat. Een ervan is, zo
zegt de Midrash, dat hij iedereen die langskwam uitnodigde om bij hem te
komen eten. Hij had openingen in zijn tent naar vier kanten opdat hij geen
voorbijganger zou missen. Als zijn gasten dan hadden gegeten zei hij: Dank
de Eeuwige want alles komt van Hem. Als zijn gasten dat dan niet deden liet
hij ze betalen voor het eten. Als ze de Eeuwige erkenden als gever niet.
Als we het
verhaal van Avram (en later Avraham) in de Thora lezen valt de nadruk op
zijn Emuna. Avram’s Emuna werd tot tienmaal toe getest, zo schrijft de
Midrash (de overlevering). Eenmaal werd hij getest zo schrijft Rabbijn Hiyya
in de Midrash toen Nimrod hem in een vurige oven wilde gooien als hij niet
zijn afgod aanbad. Avraham deed dat niet omdat hij in de Eeuwige als enige en
ware God geloofde. Hij wist niet of hij er levend weer uit zou komen. Hij
bleef in de Eeuwige geloven ongeacht wat de consequenties zouden zijn. Dit
vertrouwen op God maakte het dat hij ongeschonden uit de vurige oven kwam.
De Midrash vertelt dat hij niet ook maar iets door het vuur werd aangetast.
De Midrash vertelt hierbij verder dat zijn broer, toen hij dit wonder zag,
vroeg om hem ook in de oven gegooid te worden. Hij ging er vanuit dat God
ook hem eruit zou redden. Hij verbrandde echter wel. Hij geloofde namelijk
allen in God voor een goede uitkomst. Avram geloofde in God ongeacht de
uitkomst hiervan.
De laatste
keer werd het getest met ‘de Akeida’, de binding van zijn enig geboren zoon
Itschak door wie, zo had de Eeuwige beloofd een groot nageslacht zou
krijgen. Ondanks het feit dat de Eeuwige hem toen opdroeg zijn zoon aan hem
te gaan (slachten en) offeren op een altaar op de berg Moriah, bleef hij in
de Eeuwige geloven, dat Hij door deze zoon een groot nageslacht zou krijgen.
Terwijl bleef hij ook de Eeuwige gehoorzaam om uit te gaan voeren wat de
Eeuwige hem vroeg te gaan doen (wat er logischerwijs in uit zou monden dat
zijn zoon het leven zou verliezen). Tegen zijn knechten zegt hij, toen hij
de berg opging in gehoorzaamheid aan Gods opdracht, dat hij met zijn zoon
weer terug zal komen, gelovend dat God hem eventueel uit de dood zou
opwekken. God had hem namelijk door deze zoon nakomelingen beloofd.
Zijn
geloof in God maakte hem gehoorzaam aan God. Zijn geloof was de reden dat de
Eeuwige het volk Israel uitkoos als volk in Zijn dienst. Het volk aan wie de
Thora werd toevertrouwd. Het volk Israel kreeg, toen ze uit Egypte waren
bevrijd, diverse ‘geloofsbeproevingen’ waarbij God liet zien dat Hij te
vertrouwen is, dat Hij (voor hen) de betrouwbare God is in wie ze konden
geloven. Toen waren ze pas klaar om de Thora te ontvangen. Als de Eeuwige de
Thora geeft begint Hij dan ook met de woorden “Ik ben de Eeuwige die u uit
Egypte hebt uitgeleid” de Eeuwige heeft hen uit Egypte bevrijd. Ze hebben
reden om Emuna te in de Eeuwige. Isa 43:10 Gij zijt, luidt het woord van de
Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het
weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen
God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.
Avraham
kende de instructies van de Eeuwige door zijn geloof
Avraham
kende door zijn Emuna in God, zo zegt Chazal, de instructies van God van
binnen uit. Zijn binnenste, zijn ingewanden ‘leerden en onderwezen’ hem de
instructies van God. Door zijn Emuna kende Avraham de instructies van de
Thora van de Eeuwige en hield hij zich er aan. Op dat moment was de Thora
nog niet op Sinaï gegeven. In Genesis 26:5 staat het: ‘omdat Avraham naar
Mij geluisterd en mijn dienst in acht genomen heeft: mijn geboden, mijn
inzettingen en mijn wetten’. Avraham hield zich aan de Thora die hij kende
door zijn Emuna.
In Psalm
125 staat ‘Wie op de Eeuwige vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet
wankelt, maar voor altoos blijft’. Waarom staat er dat degenen die op de
Eeuwige vertrouwen als de berg Sion zijn? Rav Vidal HaTzarfat zegt hierover.
Net zoals Gods Geest altijd op de berg Sion rust en er nooit van vandaan
gaat, zo blijft de Geest van God altijd op degene die op Hem vertrouwen.
Door Gods Geest krijgen we de kennis van de Eeuwige. De wijsheid, het
inzicht om Zijn geboden. Zo was het met Avram en zo zal het uiteindelijk
weer ten volle zijn ten tijde de periode van het ‘Nieuwe Verbond’ zoals dat
wordt beschreven in Jer 31:31-34: ‘31 Zie, de dagen komen, luidt het woord
van de Eeuwige, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een
nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun
vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het
land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik
heer over hen ben, luidt het woord van de Eeuwige. 33 Maar dit is het
verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het
woord van de Eeuwige: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun
hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk
zijn. 34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn
broeder leren: Kent de Eeuwige: want zij allen zullen Mij kennen, van de
kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van de Eeuwige, want Ik
zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.’ Ten tijde
van het Nieuwe Verbond zal het geloof in de Eeuwige weer zo krachtig zijn
dat de instructies weer van binnenuit zullen komen en dat het volk Israel
net als Avraham op die manier zich aan de Thora zal houden.
Geloof
en vertrouwen
gaat vooraf aan het kennen en uitvoeren van Gods geboden in de Thora. Zonder
geloof in God geen ontvangst van de geboden van God. Als de Thora in de
synagoge uit de Ark word gehaald zeggen we (de meeste nusachs Ashkenaz
Sefardisch en Sefard) een
gedeelte uit de Zohar, Vayakel 369a waarin staat ‘Niet in enig mens stel ik
mijn vertrouwen, niet in enige engel vertrouw ik, alleen op de God van
hemel die de God van waarheid is. ….In Hem geloof ik…’. Daarna wordt er pas
uit de Thora gelezen.
Koning
David leert ons het volgende in Ps 37: ‘3
Vertrouw (heb bitachon) op de Eeuwige en doe het goede, woon in het land en betracht
getrouwheid; 4 verlustig u in de Eeuwige; dan zal Hij u geven de wensen van
uw hart. 5 Wentel uw weg op de Eeuwige en vertrouw op Hem, en Hij zal het
maken; 6 en Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht, en uw recht
als de middag…
Uit Davids woorden kunnen we leren het vertrouwen, geloof hebben in de
Eeuwige voorafgaat aan het doen van het goede. We kunnen er uit leren dat
door vertrouwen in de Eeuwige de beloften gerealiseerd worden. ‘Vertrouw op
de Eeuwige en Hij zal het maken. Wat we hier kunnen leren is
dat door het geloof een toename is in rechtvaardigheid daar we vers 5 en 6
zo kunnen lezen “Vertrouw op Hem…. en Hij zal uw rechtvaardigheid doen
opgaan.
Er staat verder ’7 Wees stil voor de Eeuwige en verwacht Hem; wees niet
afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op de man die boze plannen
smeedt. 8 Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen, wees niet
afgunstig; dat sticht louter kwaad. 9 Want boosdoeners worden uitgeroeid,
maar wie de Eeuwige verwachten, zij zullen het land beërven: 10 Immers nog
een wijle, en de goddeloze is niet meer; als gij let op zijn plaats, dan is
hij niet meer; 11 maar de ontmoedigen beërven het land en verlustigen zich
in grote vrede. ……’ Wat we hier kunnen leren is dat door geloof in de
Eeuwige zullen en kunnen we in het land Israël wonen en zullen we vrede
hebben. Natuurlijk is het geloof in God onlosmakelijk gekoppeld aan het
opvolgen van de Thora instructies maar duidelijk is dat het alleen opvolgen
van de Thora instructies zonder het hebben van Emuna niet voldoende is. Even
tussendoor. Rabbijn Nachman legt uit aan de hand van vers 10 wat hij betrekt
op het goddeloze in een mens dat je als Godvrezend persoon je zelf altijd
moet bezien als rechtvaardige. Er staat immers: ‘Immers nog een wijle, en
het goddeloze is er niet meer; als gij let op zijn plaats, dan is het niet
meer’. Door geloof in de Eeuwige verdwijnt het.
Dan schrijft koning David verder ‘29 De rechtvaardigen beërven het land en
wonen daarin voor immer. 30 De mond van de rechtvaardige gewaagt van
wijsheid, zijn tong spreekt het recht; 31 de wet van zijn God is in zijn
hart, zijn schreden wankelen niet.’ ……
Aansluitend op het vorige en op het geloof van Avraham kunnen we uit dit
gedeelte leren dat door Emuna, door geloof de wet, de Thora van de Eeuwige
in het hart van de Godvrezende persoon is.
In
Spreuken 3:5-6 staat “Vertrouw op de Eeuwige met uw hele hart, en vertrouw
op uw verstand niet. Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht
maken.”. Hieruit kunnen we leren dat als wij Emuna hebben in de Eeuwige hij
ons persoonlijk en heel specifiek leert hoe we dingen moeten doen.
Onderhouden van Thora en Emuna/Bitachon horen bij
elkaar en staan niet tegenover elkaar zoals het Christendom beweert:
In Ps 112 staat: 1 Halleluja. Welzalig de man, die de Eeuwige vreest, die
van harte lust heeft in zijn geboden.2 Zijn nakroost zal machtig zijn
op aarde, het geslacht der oprechten zal gezegend worden; 3 overvloed en
rijkdom zijn in zijn huis, zijn gerechtigheid houdt voor immer stand. 4 Voor
de oprechten gaat het Licht in de duisternis op, genadig en barmhartig en
rechtvaardig. 5 Voorspoedig is de man die zich ontfermt en uitleent, die
zijn zaken recht behartigt; 6 want hij zal nimmer wankelen, tot eeuwige
gedachtenis zal de rechtvaardige zijn. 7 Voor een kwaad gerucht zal hij niet
vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op de Eeuwige; 8 zijn
hart is standvastig, hij vreest niet, terwijl hij met vreugde op zijn
vijanden ziet. 9 Hij deelt uit, hij geeft aan de armen, zijn gerechtigheid
houdt voor immer stand, zijn hoorn verheft zich in ere. 10 De goddeloze ziet
het en ergert zich, hij knarst met de tanden en wordt verteerd; de begeerte
der goddelozen gaat teniet.
Uit deze psalm kunnen we leren dat Emuna en
doen van Mitswes geen tegenovergestede dingen zijn maar bij elkaar horen.
Door (in) HaShem te geloven en op Hem te vertrouwen doe je als
vanzelfsprekend de dingen die Hij voorschrijft dat ze goed zijn om te doen.
Zonder Emuna en Bitachon is er geen goed godvrezend leven
mogelijk, met geloof is het leven goed
Rabbijn Nachman zegt ‘Iemand met geloof leeft
echt en zijn dagen zijn altijd gevuld met het goede. Als dingen goed gaan is
het zeker goed. Maar als zo iemand moeilijkheden heeft is het ook goed want
zo iemand weet dat God hem genadig zal zijn en de uitkomst goed zal maken.
Daar alles van God komt zijn de omstandigheden zeker ten goede. Met geloof
is het leven goed en fijn
In Jeremia 17:7-8 staat ‘Gezegend is de man die
op de Eeuwige vertrouwt, wiens betrouwen op de Eeuwige is; hij toch zal zijn
als een boom, aan het water geplant, die zijn wortels tot aan een beek
uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen
blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te
dragen
Isa 50:10 Wie onder u vreest de Eeuwige, wie hoort naar de stem van zijn
knecht? Wanneer hij in diepe duisternis wandelt, van licht beroofd,
vertrouwe hij op de naam van de Eeuwige en steune op zijn God.