EzechiŽl 37-38

  UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

Start
Omhoog
English
עברית
EspaŮol
Wie zijn wij?
Activiteiten
Shabbath in Susya
Thora
Tenach
Emuna
Mitswot
Het Joodse vragertje
Messias
Beth HaMikdash
Joods denken
Jodendom
Kabbalah
ISRAEL
Zionisme
Aliyah
Gebeden
Zmirot
Citaten
Links
Noachidisch
Lectuur

 

 

Er uit gelicht

 

37:1 De hand van de Eeuwige kwam op mij, en de Eeuwige voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen. 2  Hij deed mij daar aan alle kanten omheen lopen en zie, zij lagen in grote menigte door het dal verspreid, en zie, zij waren zeer dor. 3  En Hij zeide tot mij: Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? En ik zeide: Adonai de Eeuwige, Gij weet het. 4  Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord van de Eeuwige. 5  Zo spreekt Adonai de Eeuwige tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; 6  Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben. 7  Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; 8  ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen. 9  Daarop zeide Hij tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt Adonai de Eeuwige: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. 10  Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger. 11  Voorts zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis IsraŽls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. 12  Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land IsraŽls. 13  En gij zult weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. 14  Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Eeuwige, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord van de Eeuwige. 15 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 16  Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de IsraŽlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef (het stuk hout van EfraÔm) en het gehele huis IsraŽls dat daarbij behoort; 17  voeg ze dan aan elkander tot een stuk hout, zodat zij in uw hand tot een worden. 18  Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? 19  zeg dan tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef (dat aan Efraim toebehoort) en van de stammen IsraŽls die daarbij behoren en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot een stuk hout, zodat zij een zijn in mijn hand. 20  Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn, 21  zeg dan tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik haal de IsraŽlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. 22  En Ik zal hen tot een volk maken in het land, op de bergen IsraŽls, en een koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. 23  Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. 24  En mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. 25  Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. 26  Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. 27  Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 28  En de volken zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben die IsraŽl heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat. 38:1 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 2  Mensenkind, richt uw aangezicht tegen Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal; profeteer tegen hem, 3  en zeg: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, ik zal u, Gog, grootvorst van Mesek en Tubal! 4  Ik zal u komen halen, haken slaan in uw kaken en u doen uittrekken met uw gehele leger: paarden en ruiters, allen volledig uitgerust, een grote schare, met grote en kleine schilden, allen vertrouwd met het zwaard; 5 ook Perzen, Ethiopiers en Puteeers, allen met schild en helm; 6  Gomer en al zijn krijgsbenden; Bet-togarma ver in het noorden met al zijn krijgsbenden; vele volken met u. 7  Maak u gereed en rust u toe, gij met al de scharen die zich bij u gevoegd hebben; wees gij hun tot een leidsman. 8  Na geruime tijd zult gij een bevel ontvangen; in toekomende jaren zult gij optrekken tegen het land dat zich van de krijg hersteld heeft, een volk dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de bergen IsraŽls die tot een blijvende wildernis waren geworden, maar het is uit de volken uitgeleid; allen wonen zij in gerustheid. 9  Dan zult gij optrekken als een opkomend onweer; gij zult zijn als een wolk die de aarde bedekt, gij met al uw krijgsbenden, en vele volken met u. 10  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Te dien dage zullen er plannen in uw hart opkomen; gij zult een boze aanslag beramen, 11  gij zult zeggen: ik zal optrekken tegen een land van dorpen, een overval plegen op vreedzame lieden, die in gerustheid wonen, allen zonder muur, grendels of poorten, 12  om buit te maken en roof te plegen, om uw hand te keren tegen de weer bewoonde puinhopen en tegen een natie die uit het gebied der volken bijeengebracht is, die have en goed heeft verworven, die op de navel der aarde woont. 13  Seba, Dedan, de handelaars en al de machtigen van Tarsis zullen tot u zeggen: Komt gij om buit te maken; hebt gij uw schare bijeengeroepen om roof te plegen, om zilver en goud weg te slepen, om have en goed te bemachtigen, om een grote buit te maken? 14 Daarom, profeteer, mensenkind, en zeg tot Gog: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zult gij het niet gewaarworden, te dien dage als mijn volk IsraŽl in gerustheid woont? 15  Dan zult gij komen uit uw woonplaats uit het verre noorden, gij en vele volken met u, allen ruiters, een grote schare en een talrijk leger, 16  en gij zult optrekken tegen mijn volk IsraŽl als een wolk die het land bedekt. In toekomende dagen zal het geschieden, dat Ik u doe optrekken tegen mijn land, opdat de volken Mij leren kennen, wanneer Ik, voor jullie ogen, wordt geheiligd o Gog!. 17  Zo zegt Adonai de Eeuwige: Zijt gij het, van wie Ik in vroegere dagen gesproken heb door de dienst van mijn knechten, de profeten van IsraŽl, welke in die dagen jarenlang geprofeteerd hebben, dat Ik u tegen hen zou doen optrekken? 18  Maar te dien dage, wanneer Gog komt in het land van IsraŽl, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dan zal mijn grimmigheid opstijgen in mijn neus, 19  en in mijn naijver, in het vuur mijner verbolgenheid, zal Ik spreken: Waarlijk, te dien dage zal een zware aardbeving het land van IsraŽl teisteren. 20  Ja, beven zullen voor Mij de vissen der zee, het gevogelte des hemels, het gedierte des velds en al het kruipend gedierte dat op de aardbodem kruipt en alle mensen die op de aarde leven; de bergen zullen neerstorten, de bergwanden zullen vallen, elke muur zal ter aarde storten. 21  Dan zal Ik op al mijn bergen het zwaard tegen hem oproepen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige; het zwaard van de een zal tegen de ander zijn. 22  Ik zal met hem in het gericht treden door pest en door bloed; stromende regen en hagelstenen, vuur en zwavel zal Ik doen neerregenen op hem, op zijn krijgsbenden en op de vele volken die met hem zijn; 23  Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben.

 

 

 

Eruit gelicht:

-         Voorts zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis IsraŽls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land IsraŽls. (37:11, 12). In het beeld van het tot leven komen van de dorre doodsbeenderen herhaalt Gíd opnieuw de belofte om het volk IsraŽl te herstellen en hen terug te brengen naar het land IsraŽl. Het staat voor Gíd absoluut vast. Gíd zal het volk ook letterlijk weer opwekken en terugbrengen naar hun land.

 

-         De hand van de Eeuwige kwam op mij, en de Eeuwige voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen. (37:1) Dit is het dal Tofet/Hinnom waar de kinderoffers werden gebracht, buiten de Mestpoort, aan de kant van de huidige Sionspoort.

 

-         Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de IsraŽlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef (het stuk hout van EfraÔm) en het gehele huis IsraŽls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot een stuk hout, zodat zij in uw hand tot een worden. (37:16,17). De 10-stammen en de 2-stammen, Judah en IsraŽl zullen weer samengevoegd worden en het zal weer ťťn volk zijn. Sinds de tijd van Salomo is dat niet meer geweest. Bij de eerste terugkeer (ten tijde van Zerubabel) is alleen maar 10% van het 2-stammenrijk Judah teruggekeerd. Deze profetie moet duidelijk nog in vervulling gaan. Tussen haakjes: ten tijde van deze terugkeer hebben er zich geen Ďvreemdelingen / gojimí bij het volk IsraŽl aan gesloten (zoals dat in Jes. 14:1 staat voorzegd ďWant de Eeuwige zal Zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij Israel verkiezen en ze op hun eigen bodem doen wonen; dan zal de vreemdeling zich bij hen aansluiten en men zal zich voegen bij het huis van Jakob.Ē. Ook dat is een profetisch woord voor de komende tijd.

 

 

         

ďvoeg ze dan aan elkander tot een stuk hout, zodat zij in uw hand tot een wordenĒ

 

-         En Ik zal hen tot een volk maken in het land, op de bergen IsraŽls, en een koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. (37:22-25). Judah en IsraŽl wordt een volk dat tezamen op de bergen van IsraŽl zal wonen. Dan zullen ze de Thora onderhouden. In die tijd zal de Messias hen tot vorst wezen. Hij zal hun leiden om te leven volgens de Thora. De tijd van het Ďnieuwe verbondí wordt hier nog eens duidelijk toegelicht. Die tijd ligt voor ons en in de terugkeer van IsraŽl en het aansluiten van de vreemdeling bij het volk IsraŽl ervaren we dat de Messiaanse tijd snel dichterbij komt. Ja ook in de moeilijkheden die in deze tijd op IsraŽl afkomen.

 

-         en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn (37:25). Dat is de Messias, de lijfelijke nakomeling van David. Verder wordt er in hoofdstuk 45 verder over deze vorst gesproken.

 

-         Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben die IsraŽl heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat (37:26-28). Die tijd zal ook herkenbaar zijn aan het feit dat de tempel er weer zal staan (voorgoed). Daar de tempel van Herodes in 70 na de gewone jaartelling is verwoest weten we dat deze profetie uiteindelijk niet over die tempel en tijd gaat. Er wordt hier gezegd dat het om een eeuwige periode gaat. De tempel zal niet meer verwoest worden en het volk IsraŽl zal niet meer uit het land IsraŽl verwijdert worden.

 

-         grootvorst van Mesek en Tubal (38:1) Dit zijn nakomelingen van Jafet, de zoon van Noach (als ook PerziŽ (vs 5 = Tiras) en Togarma (vs.6) kleinzoon van Noach). Genesis 10:2  De zonen van Jafet waren Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesek en Tiras. Volgens de meeste Joodse uitleggers wordt met Gog een Edomitische vorst bedoeld. Met Magog wordt wel gerefereerd aan de Gotische/Germaanse volken. PerziŽ is het huidige Iran, Chus ligt ten zuiden van Egypte, Put is LibiŽ. Apart detail: In de tijd van Esther en Ahasveros was het Haman (nakomeling van Ezau) die aan Perzische hof (Jafetisch) de stuwende kracht was in de haat naar de Joden. Zo zal het zijn in de oorlogen van Gog en Magog als de Edomitische koning Gog  de Jafetische landen/volken zal leiden in de oorlog

 

-         en gij zult optrekken tegen mijn volk IsraŽl als een wolk die het land bedekt. In toekomende dagen zal het geschieden, dat Ik u doe optrekken tegen mijn land, opdat de volken Mij leren kennen, wanneer Ik, voor jullie ogen, wordt geheiligd o Gog!. (38:16). Gíd zal geheiligd worden als de tegenstand uitgevaagd zal worden

 

-         Maar te dien dage, wanneer Gog komt in het land van IsraŽl, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dan zal mijn grimmigheid opstijgen in mijn neus, Ö..  Ik zal Mij groot en heilig betonen en Mij doen kennen ten aanschouwen van vele volken; en zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben (38:18,23) De tegenstanders die dan zullen proberen IsraŽl te vernietigen zullen vernietigd worden. Daarin zal Gíd geheiligd worden. 

 

 

Start ] Omhoog ] EzechiŽl 39-40 ] [ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013