UP-DATE'S -- Hier vindt U de recente wijzigingen, toevoegingen en actuele publicaties

 

 

 

 

 

 

 

THE SOUND OF THE SHOFAR!! +/_ 240 KBHet Bijbel gedeelte voor Rosh HaShanna

Voor U eruit gelicht

 

Hoe wordt Rosh Hashana gevierd?

Klik hier voor de Shofar uitleg

 

~ Op deze pagina vindt U een deel van het wekelijkse Thora gedeelte, ~

~ met daaruit een aantal punten uit gelicht! ~

 

Thora-gedeelte voor Rosh HaShanna

Rosh HaShanna, Thoragedeelte: Gen. 21:1-34, Gen. 22:1-24, Num. 29:1-6, 1 Sam.1:1-2:10

 

Gen 21:1 de Eeuwige bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de Eeuwige deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. 2  En Sara werd zwanger, en zij baarde Avraham een zoon in zijn ouderdom, te bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had. 3  En Avraham noemde de zoon, die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, Isašk. 4  En Avraham besneed zijn zoon Isašk, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem geboden had. 5  Avraham nu was honderd jaar oud, toen hem zijn zoon Isaak geboren werd. 6  En Sara zeide: God heeft gemaakt, dat ik lach; ieder die het hoort, zal om mijnentwil lachen. 7  En zij zeide: Wie had aan Avraham durven toezeggen: Sara zoogt kinderen? Want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom. 8  En het kind groeide op en werd gespeend, en Avraham richtte een grote maaltijd aan op de dag dat Isaak gespeend werd. 9   Toen zag Sara, dat de zoon van Hagar, de Egyptische, die zij Avraham gebaard had, spotte, 10  en zij zeide tot Avraham: Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isašk. 11  Dit nu mishaagde Avraham zeer ter wille van zijn zoon. 12  Maar God zeide tot Avraham: Laat dit niet kwaad zijn in uw ogen, om de jongen en om uw slavin; in alles wat Sara tot u zegt, moet gij naar haar luisteren, want door Isašk zal men van uw nageslacht spreken. 13  Maar ook de zoon der slavin zal Ik tot een volk stellen, omdat hij uw nakomeling is. 14 De volgende morgen vroeg nam Avraham brood en een zak water, en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba. 15  Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder een der struiken,  16  en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van het kind niet aanzien. Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar stem en weende. 17  En God hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel tot Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. 18  Sta op, neem de jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot volk stellen. 19  Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken. 20  En God was met de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen en werd een boogschutter. 21  En hij woonde in de woestijn Paran, en zijn moeder nam voor hem een vrouw uit het land Egypte. 22 In die tijd zeide Abimelek, alsook zijn legeroverste Pikol, tot Avraham: God is met u in alles wat gij doet. 23  Nu dan, zweer mij toch hier bij God, dat gij niet bedrieglijk met mij zult handelen, noch met mijn kroost, noch met mijn nageslacht; naar de vriendschap, die ik u betoond heb, zult gij mij en het land waarin gij als gast vertoeft, behandelen. 24  En Avraham zeide: Ik zweer het. 25  Maar Avraham maakte Abimelek een verwijt over een waterput, die de knechten van Abimelek zich hadden toegeeigend. 26  Daarop zeide Abimelek: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ook hebt gij het mij niet meegedeeld, en ik heb het ook niet vernomen voor vandaag. 27  Toen nam Avraham schapen en runderen en gaf ze aan Abimelek, en die beide sloten een verbond. 28  Maar Avraham zette zeven lammeren van de schapen afzonderlijk. 29  Toen zeide Abimelek tot Avraham: Wat betekenen die zeven lammeren hier, die gij afzonderlijk gezet hebt? 30  En hij zeide: Voorzeker moet gij de zeven lammeren uit mijn hand aannemen, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik deze put gegraven heb. 31  Daarom noemt men die plaats Berseba, want die beiden hebben daar gezworen. 32  Toen zij te Berseba het verbond gesloten hadden, gingen Abimelek en zijn legeroverste Pikol heen, en keerden naar het land der Filistijnen terug. 33 En Avraham plantte te Berseba een tamarisk, en riep daar de naam van de Eeuwige, de eeuwige God, aan.

34  En Avraham vertoefde vele dagen als vreemdeling in het land der Filistijnen.

 

Gen. 22:1 Hierna gebeurde het, dat God Avraham op de proef stelde. Hij zeide tot hem: Avraham, en deze zeide: Hier ben ik. 2  En Hij zeide: Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isašk, en ga naar het land Moriah, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen die Ik u noemen zal. 3 Toen stond Avraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isašk; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had. 4 Toen Avraham op de derde dag zijn ogen opsloeg, zag hij die plaats in de verte. 5  En Avraham zeide tot zijn knechten: Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren. 6 Toen nam Avraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isašk en nam vuur en een mes met zich mede. Zo gingen die beiden tezamen. 7  Toen sprak Isašk tot zijn vader Avraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? 8  En Avraham zeide: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen. 9  Toen zij aan de plaats die God hem genoemd had, gekomen waren, bouwde Avraham daar een altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isašk en legde hem op het altaar boven op het hout. 10  Daarop strekte Avraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. 11 Maar de Engel van de Eeuwige riep tot hem van de hemel en zeide: Avraham, Avraham! En hij zeide: Hier ben ik. 12  En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden. 13  Toen sloeg Avraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Avraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. 14  En Avraham noemde die plaats: de Eeuwige zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg van de Eeuwige zal erin voorzien worden. 15 Toen riep de Engel van de Eeuwige ten tweeden male van de hemel tot Avraham en zeide: 16  Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord van de Eeuwige: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, 17  zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. 18  En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. 19  Toen keerde Avraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berseba, en Avraham woonde te Berseva. 20 Hierna werd aan Avraham bericht: Zie, ook Milka heeft Nachor, uw broeder, zonen gebaard: 21  zijn eerstgeborene Us, diens broeder Buz, en Kemuel, de vader van Aram, 22  en Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuel. 23  En Betuel verwekte Rebekka. Deze acht heeft Milka aan Nachor, de broeder van Avraham, gebaard. 24  En ook zijn bijvrouw, wier naam was Reuma, baarde zonen, Tebach, Gacham, Tachas en Maaka.

 

Num.29:1 En in de zevende maand, op de eerste dag der maand, zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei slaafse arbeid verrichten, het zal een jubeldag voor u zijn. 2  Dan zult gij tot een brandoffer bereiden tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige; een jonge stier, een ram, zeven gave, eenjarige schapen; 3  en het bijbehorend spijsoffer: fijn meel, aangemaakt met olie, drie tienden bij de stier, twee tienden bij de ram 4  en een tiende bij elk van de zeven schapen; 5  en een geitebok als zondoffer om over u verzoening te doen, 6  behalve het maandelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer, en het dagelijks brandoffer en het bijbehorend spijsoffer en de bijbehorende plengoffers naar het desbetreffend voorschrift, tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de Eeuwige.

 

1 Sam 1:1 Er was een zeker man uit Ramataim-sofim, uit het gebergte van Efraim, die Elkana heette, de zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Suf, een Efratiet. 2  Deze had twee vrouwen: de ene heette Channa en de andere Peninna; Peninna had kinderen, maar Channa had geen kinderen. 3  Hij nu ging van jaar tot jaar uit zijn stad om de Eeuwige der heerscharen te Silo te aanbidden en Hem offers te brengen. Daar waren priesters van de Eeuwige de beide zonen van Eli, Chofni en Pinechas. 4  Wanneer de dag aanbrak, dat Elkana offerde, gaf hij aan zijn vrouw Peninna en aan al haar zonen en dochters ieder een deel, 5  maar aan Channa gaf hij een dubbel deel, want hij had Channa lief, hoewel de Eeuwige haar moederschoot toegesloten had. 6  Haar mededingster echter tergde haar voortdurend om haar tot drift te prikkelen, omdat de Eeuwige haar moederschoot toegesloten had. 7  Jaar op jaar, zo dikwijls zij opging naar het huis van de Eeuwige, handelde hij zo en tergde zij haar; dan weende zij en at niet. 8  En haar man Elkana zeide tot haar: Channa, waarom weent gij en waarom eet gij niet? Waarom zijt gij zo verdrietig gestemd? Ben ik u niet meer waard dan tien zonen? 9 Eens, nadat men te Silo gegeten en gedronken had, stond Channa op (de priester Eli zat op een stoel bij de deurpost van de tempel van de Eeuwige) 10  en bitter bedroefd bad zij tot de Eeuwige en weende zeer. 11  Toen deed zij een gelofte en zeide: de Eeuwige der heerscharen, indien Gij werkelijk naar de ellende uwer dienstmaagd omziet en mij gedenkt en uw dienstmaagd niet vergeet, maar aan uw dienstmaagd een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor zijn gehele leven de Eeuwige geven en geen scheermes zal op zijn hoofd komen. 12  Toen zij lang bleef bidden voor het aangezicht van de Eeuwige, lette Eli op haar mond; 13  en omdat Channa bij zichzelf sprak en slechts haar lippen zich bewogen, maar haar stem niet te horen was, dacht Eli, dat zij dronken was. 14  En Eli zeide tot haar: Hoelang zult gij u als een beschonkene gedragen? Zorg, dat gij uw roes kwijtraakt. 15 Doch Channa antwoordde: Neen, mijn heer, ik ben een diepbedroefde vrouw; wijn noch bedwelmende drank heb ik gedronken, maar ik heb mijn hart uitgestort voor het aangezicht van de Eeuwige. 16  Houd uw dienstmaagd niet voor een nietswaardige; want door grote zorg en smart gekweld heb ik zo lang gesproken. 17  En Eli antwoordde: Ga heen in vrede, en de God van IsraŽl zal u geven, wat gij van Hem gebeden hebt. 18  Daarop zeide zij: Uw dienstmaagd moge uw gunst verwerven. Toen ging de vrouw haars weegs, zij at weer en haar gelaat toonde geen droefheid meer. 19 De volgende morgen stonden zij vroeg op en bogen zich neer voor het aangezicht van de Eeuwige; daarop keerden zij terug naar hun huis te Rama. Toen Elkana gemeenschap had met zijn vrouw Channa, dacht de Eeuwige aan haar, 20  en omstreeks een jaar later baarde Channa, zwanger geworden, een zoon. Zij noemde hem Samuel, want zeide zij ik heb hem van de Eeuwige gebeden. 21  Die man, Elkana, ging met zijn gehele gezin om het jaarlijkse slachtoffer en zijn gelofteoffer aan de Eeuwige te brengen. 22  Channa ging echter niet, want zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen en zal hij verschijnen voor het aangezicht van de Eeuwige en daar voor altijd blijven. 23  En haar man Elkana zeide tot haar: Doe wat goed is in uw ogen; blijf, totdat gij hem gespeend hebt; de Eeuwige doe slechts zijn woord gestand. De vrouw bleef dus en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende. 24  Nadat zij hem gespeend had, nam zij hem mee, met drie stieren, een efa meel en een kruik wijn, en zij bracht hem, een kleine jongen nog, in het huis van de Eeuwige te Silo. 25  Toen zij een stier geslacht hadden, brachten zij de knaap tot Eli, 26  en zij zeide: Met uw verlof, mijn heer, zo waar gij leeft, mijn heer, ik ben de vrouw, die hier bij u stond om tot de Eeuwige te bidden; 27  om deze jongen heb ik gebeden, en de Eeuwige heeft mij gegeven, wat ik van Hem gebeden heb. 28  Daarom sta ik hem aan de Eeuwige af; zolang hij leeft, zij hij aan de Eeuwige afgestaan. En hij boog zich daar voor de Eeuwige neer. 2:1 Toen bad Channa en zeide: Mijn hart juicht in de Eeuwige, mijn hoorn is verhoogd in de Eeuwige. Wijd opent zich mijn mond tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in uw hulp. 2  Er is niemand heilig gelijk de Eeuwige, want niemand is er buiten U, en er is geen rots gelijk onze God. 3  Spreekt toch niet steeds zo hoogmoedig, geen verwaten taal kome uit uw mond. de Eeuwige immers is een alwetend God en door Hem worden de daden getoetst. 4  De boog der helden is verbroken, maar de wankelenden zijn met kracht omgord. 5  Wie verzadigd waren, verhuren zich om brood, maar wie hongerig waren, mogen rusten. Zelfs een onvruchtbare baart er zeven, maar wie rijk was aan kinderen, verwelkt. 6  de Eeuwige doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerdalen en daaruit opkomen. 7  de Eeuwige maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. 8  Hij heft de geringe op uit het stof, Hij heft de arme omhoog uit het slijk, om hem te doen zitten bij edelen, en een erezetel te doen verwerven. Want de grondvesten der aarde zijn van de Eeuwige; Hij heeft daarop het aardrijk gesteld. 9  De voeten zijner gunstgenoten behoedt Hij, maar de goddelozen komen om in duisternis, want niet door kracht is een man sterk. 10  Wie met de Eeuwige twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. de Eeuwige richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.

 

 

Voor U er uit gelicht

>God is trouw aan Zijn beloften (Gen. 21:1 en 1 Sam. 1:19)

>God beproeft op absolute gehoorzaamheid aan en geloof in Hem (dat de beloften toch uit zullen komen (Gen. 22:1,2)

>Ook Isašk was gehoorzaam om te doen wat God van Avraham vroeg. Isašk was 37 jaar en kon zelf kiezen.

>De trouw van Avraham aan God heeft verstrekkende Ďpositieveí gevolgen voor hem en zijn nakomelingen (22:17,18)

>Op Yom Truah een heilige samenkomst voor God (Num.29:1,2) met bazuingeschal.

 

 

 

 

[ Inhoud ]

Voor vragen of opmerkingen over deze website verzenden aan
webmaster@shalom-center.org
Laatst bijgewerkt: 13 augustus 2013